Werkhondenkennel "updated"

Communities

ZeelandNet

Werkhondenkennel "updated"

Welkom op de community Werkhondenkennel

197.284 bezoekers 29 leden Log in

a2) Geschiedenis van de Belgische Herder


Overgenomen uit het tijdschrift ONZE HOND decembernummer 2003, geschreven door Natasja van Hout.

 

 

De Belgische Herder

Eén ras met vier verschijningsvormen.

De Belgische Herder is een ras dat vier variëteiten kent: de Mechelaar, de Laekense herdershond, de Groenendaeler en de Tervuerense herdershond. Deze variëteiten onderscheiden zich naar haarsoort en kleur. In het jaarboek van ONZE HOND aandacht voor dit bijzondere ras.

Het is niet altijd zo geweest dat de vier variëteiten van de Belgische Herdershond zo strikt werden onderscheiden als tegenwoordig. Pas aan het einde van de 19e eeuw werd een aanzet gegeven tot het raszuiver fokken van deze vier varianten.

Herkomst

Over het algemeen neemt men aan dat de groep van herdershonden afstamt van de Canis familiaris matris optimae, die leefde in het Bronzen tijdperk en daarom ook wel Bronshond wordt genoemd. Toen de mens zijn zwervende bestaan inruilde voor een vaste vestiging in primitieve boerderijen en zich van de jacht meer ging richten op landbouw en veehouderij, werd de behoefte aan een helpende hond groter. Men gaat ervan uit dat de hond veelzijdig werd ingezet voor alle zich aandienende taken. Waarschijnlijk heeft hij gewerkt in de kudde, maar was hij tevens waakhond en jachthond. Met het eindigen van het nomadenbestaan van de mens, werd dus pas echt een begin gemaakt aan de domesticatie van de hond.

De primitieve boeren fokten voornamelijk geiten en schapen. Deze dieren werden overdag naar weiden gebracht door de herder. Zijn hond moest ervoor zorgen dat de dieren zich onderweg niet tegoed deden aan de gewassen die voor menselijke consumptie bedoeld waren.

Soorten

Opvallend is dat er verschillende herdershondensoorten ontstonden, afhankelijk van de streek waarin zij leefden. In die gebieden waar men veel te kampen had met grote roofdieren, had men behoefte aan grote, sterke, afschrikwekkende herdershonden die een beer of wolf op de vlucht konden doen slaan. In streken waar dit soort wilde dieren niet voorkwamen, waren de herdershonden wat kleiner van type. Vaak hadden deze honden een dichte, ruige vacht die bescherming moest bieden tegen de diverse weersinvloeden. Met het afnemen van het aantal grote roofdieren in Europa, verdween ook de behoefte aan de grote herdershonden en kwam het lichtere type meer in zwang. Dit lichtere type had meer uithoudingsvermogen dan zijn zware tegenhanger en was bovendien veel wendbaarder en energieker. Maar wat misschien nog wel belangrijker was voor de veelal arme schaapsherder: hij at niet zoveel als de zware herdershond. In deze tijd was het uiterlijk van de hond slechts in zoverre belangrijk dat het de hond in staat moest stellen om zijn functie te vervullen. En alleen die honden die zich in hun werk reeds bewezen hadden, kregen de gelegenheid zich voort te planten. Zo werd geselecteerd op werklust, wendbaarheid en uithoudingsvermogen en werd alleen het genetisch materiaal van de allerbeste honden doorgegeven.

Niet edel

De herdershonden behoorden tot de groep van ?onedele honden?, de zogenaamde rekels, of mâtins. Dit waren de bastaardhonden, die onderscheiden moesten worden van de edele jachthonden van de adel. De groep van rekels werd onderverdeeld naar de functie die deze honden hadden. Zo onderscheidde men naast de herdershonden verder bijvoorbeeld nog trekhonden, slagershonden en hofhonden. Met een rekel mocht men niet jagen. Om te voorkomen dat rekels met jachtpassie toch een konijntje zouden verschalken, moest men deze honden een stok om de hals hangen om hen dit te belemmeren.

In de 17e eeuw werden veel rekels gehouden om het vee en de overige bezittingen van zijn baas te beschermen tegen wolven en dieven. Vaak droegen deze honden een halsband met ijzeren punten aan de buitenzijde, die de hals van de hond moesten beschermen tegen een aanval van een wolf. De rekels verschilden nogal van elkaar in uiterlijk, zowel in beharing als in grootte. We kunnen er rustig van uit gaan dat deze boerenrekel de stamvader is van de moderne Belgische Herdershond. Ook de Bouvier vindt in deze oude schaapherdershond zijn oorsprong.

Veelzijdig

De lichte, wendbare herdershonden waren breed inzetbaar. Naast het werk met de kudde en de bewaking van huis en haard, gebruikte men de schepershonden ook als trekhond voor de hondenkar. Ook smokkelaars maakten dankbaar gebruik van de slimme herdershonden om hun smokkelwaar over de grens te krijgen. Dit bleek een lucratieve zaak, totdat de douane besloot om zelf gebruik te maken van honden om het smokkelen tegen te gaan.

In de 18e eeuw maakte het politiekorps van Leuven reeds gebruik van herdershonden voor het lopen van hun ronde. Het bleek echter niet zo?n succes te zijn; aan het eind van dezelfde eeuw hief men de politiehond weer op. De honden zouden te graag bijten en zij maakten de omgeving er bepaald niet veiliger op.

Naast de schepershonden die veelal als bijtgraag te boek stonden, waren er ook de zogenaamde ganzenwachters. Deze honden dreven kudden ganzen. Het uiterlijk van deze honden was gelijk aan dat van de schepershonden, maar zij waren veel zachter van karakter. Bij deze honden moest de bijtrem groot zijn.

Zuivere fok

Aan het eind van de 19e eeuw groeide de kynologische belangstelling naar de verschillende hondenrassen. In deze periode waren er in België verschillende schepershonden die in type nogal van elkaar verschilden. Het waren honden die zich sterk richtten op hun baas en die nogal afstandelijk waren naar vreemden. Ze waren actief en levendig en hadden veel temperament. Het waren werkhonden pur sang. Zoals in de meeste landen duurde het lang voordat de kynologie interesse kreeg in de honden van eigen bodem. Men haalde liever een dure rashond uit het buitenland. Gelukkig kent ook vrijwel elk land een man of vrouw die zich opwierp als beschermer van de nationale rassen. Voor België is dat Adolphe Reul geweest, professor in de Zoötechniek aan de Staatsschool van Veeartsenij. Hij stond hierin niet alleen. Samen met Louis Huyghebaert en de heer Van der Snickt stond hij aan de wieg van de Belgische Herder. Professor Reul kwam veel op veekeuringen, waar het hem opviel dat het vee veelal door hetzelfde type hond werd vergezeld. De honden wekten zijn interesse en hij besloot zich te gaan verdiepen in de afstamming van deze Belgische schepershonden. Op 29 september 1891 richtte men in Brussel de Club du Chien de Berger Belge op.

Inventarisatie

Reul wilde door middel van inteelt de beste variëteiten bewaren. Aan dierenartsen in het hele land ? oudleerlingen van hem - vroeg hij uit te kijken naar mooie typen en de eigenaren van deze honden met hun hond uit te nodigen voor een inventarisatiedag. Dit was nog niet zo eenvoudig, omdat de eigenaren van deze honden zich de luxe niet konden permitteren om hun hond een dag niet te laten werken. Op 15 november 1891 kon hij echter toch 117 Belgische herdershonden ontvangen op deze speciale tentoonstelling in de kliniek van de veeartsenijschool in Cureghem. Men meende uit deze gevarieerde groep te kunnen constateren dat de Belgische herder ? van vreemde smetten ontdaan ? onder te verdelen was in drie groepen naar vachtstructuur: een langharige, een ruwharige en een kortharige variant. Naar aanleiding van deze inventarisatiedag besloot de rasvereniging op 2 april 1892 de kenmerken van het ras die door professor Reul waren opgesteld, aan te nemen. Hiermee was de eerste rasstandaard een feit. Reul adviseerde fokkers om hun honden uitsluitend te paren aan honden met dezelfde haarlengte. Men kommerde zich in deze tijd nog niet om de kleur. Pas in 1899 werd door de Club du Chien de Berger Belge besloten dat bij ieder type een bepaalde kleur hoorde. De volgende kleuren werden vastgelegd: de kleur zwart voor de langharige honden, peper en zout voor de ruwharige en vaalrood voor de kortharige, bij wie een zwart masker hoorde.

De gevestigde kynologische orde was niet direct onder de indruk van de verrichtingen van professor Reul. Pas in 1900 nam de Société Royale St. Hubert twee typen van de Belgische Herder, de Mechelaar en de Groenendaeler, op in haar stamboek.

In 1923 richtte men in Nederland de Nederlandse Speciaalclub voor Belgische Herders op. Deze vereniging werd echter weer opgeheven, waarna in 1938 de huidige rasvereniging werd opgericht: de Nederlandse Vereniging voor Belgische Herdershonden (NVBH).

Eigenschappen

De Belgische Herder is een hond die sterk op zijn baas gericht is en het liefst de hele dag in zijn buurt is. Iedere beweging van zijn baas, doet de hond opspringen in de hoop dat er iets leuks gaat gebeuren. Niet iedereen kan dat gedrag waarderen. Hij heeft daarbij de typische eigenschappen van een hoedende hond. Wanneer men als gezin met een Belgische Herder het bos ingaat, zal hij proberen de groep goed bij elkaar te houden door in kringen rond te lopen. De Belgische Herder hecht zich bijzonder sterk aan zijn baas. Men noemt dit ook wel hyper-affectie. Hij kan moeilijk herplaatst worden, wanneer zijn baas niet meer voor hem kan zorgen, omdat hij een nieuwe baas moeilijk accepteert.

De Belgische Herdershond moet zelfverzekerd zijn en evenwichtig. Het duurt vrij lang voor de Belgische Herder echt volwassen is. Als jonge hond is hij erg gevoelig en het is dus bijzonder belangrijk om hem goed te socialiseren en met verschillende situaties in contact te brengen. Hij hoort niet nerveus te zijn, noch agressief of angstig. Een goede socialisatie en opvoeding spelen hier echter, naast erfelijke aanleg, een grote rol. Hij is een uitstekende bewaker van de eigendommen van zijn baas.

Werklust

De Belgische Herder is in de eerste plaats een werkhond. Het is dan ook bijzonder belangrijk dat hij de kans krijgt om ?iets te doen?. De Belgische Herder wordt nog altijd graag gebruikt als geleidehond, als politiehond, als lawine- of reddingshond, als hasjhond of als speurhond. Wanneer u met uw Belgische Herder naar de plaatselijke kynologenclub gaat om een gehoorzaamheidscursus met hem te volgen, zult u merken dat uw hond dit niet alleen ontzettend leuk vindt, maar dat hij ook niet zelden uitblinkt in zijn groepje. De Belgische Herder is bijzonder intelligent en doet niets liever dan voor zijn baas werken. Hij wil het zo graag goed doen! Andere mogelijkheden om hem vervangend werk te bieden zijn behendigheid, VZH (verkeerszekere hond), Obedience, UV (uithoudingsvermogen), flyball, IPO (verdedigingshond) of SpH (speurhond). Natuurlijk kunt u ook proberen hoe uw Belgische Herder het doet bij de schapen. Er zijn tegenwoordig legio mogelijkheden om uw hond vervangend werk te bieden en voor de Belgische Herder is dat geen overbodige luxe.

Gezondheid

Zoals bij alle grotere hondenrassen, moet ook de NVBH alert zijn op het voorkomen van HD en ED. Heupdysplasie is een afwijking van de heupgewrichten. Elleboogdysplasie geeft problemen aan de voorhand. Het ontstaan van deze aandoeningen is niet louter erfelijk bepaald. Naast erfelijke factoren spelen ook omgevingsfactoren, zoals voeding en de juiste ondergrond, een grote rol bij het ontstaan van deze ziekte. Gladde vloeren zijn funest voor honden. Ook is het niet aan te raden om een hond teveel trappen te laten lopen, zeker niet zolang hij niet is uitgegroeid.

Hoeden

De Belgische Herder werd vroeger gebruikt voor het hoeden van kudden schapen en geiten. Zij hadden de taak de kudde bij elkaar te houden, ervoor te zorgen dat de dieren alleen het gras aten dat voor hun bek bestemd was en de kudde te beschermen tegen roofdieren en dieven.

Het feit dat de Belg voor zowel schapen als geiten werd gebruikt, vereiste nogal wat flexibiliteit van de hond. Een geit vraagt namelijk om een heel andere aanpak dan een schaap. Schapen zijn over het algemeen vrij zachtmoedige dieren die weinig druk nodig hebben. Wanneer de hond op een onwillig schaap inloopt, en daar eventueel bij blaft, zal hij het daarmee vrijwel altijd weer in de goede richting kunnen sturen. Geiten zijn daarentegen behoorlijk eigenzinnige dieren, die bovendien sterker en feller zijn dan schapen. Een geit zal dan ook lang zo gauw niet onder de indruk zijn van een blaffende hond en veel eerder de confrontatie zoeken dan een schaap. Hij heeft veel minder respect voor de hond. Wanneer de hond een geit tot de orde moet roepen, zal hij vaak zelfs zijn tanden in een poot moeten zetten. Het vergt natuurlijk nogal wat van een hond als hij bij de ene diersoort dat hij hoedt pertinent nooit mag bijten, terwijl het bij de andere een noodzakelijk onderdeel vormt van het hoeden.

In ?t kort

De Belgische Herder is een stoere, intelligente hond. Hij bezit de intrinsieke eigenschappen van een hoedende hond; hij is trouw aan zijn baas, kan wat terughoudend zijn naar vreemden en beschermt zijn baas en diens bezittingen. Wanneer men hem goed socialiseert, is hij gemakkelijk op te voeden tot een prettige kameraad voor het hele gezin.

De Belgische Herder is een echte ?contacthond?. Men doet hem geen recht als men hem hele dagen alleen achterlaat. Het liefst onderneemt hij van alles samen met zijn baas en hij zou wegkwijnen als men hem niet genoeg aandacht kan geven.

Hoewel de Belgische Herder een stoere hond is, is hij toch erg gevoelig voor harde woorden. Hij is gemakkelijk op te voeden met een zachte, doch consequente hand. Hij heeft erg veel ?will to please?, dus het is over het algemeen voldoende dat men hem duidelijk maakt wat men van hem verlangt. Wanneer hij het begrijpt, zal hij u graag gehoorzamen.

De Belgische Herder is een prima gezinshond, mits men de omgang tussen kind en hond als volwassene strikt regisseert. Kinderen moeten leren dat een hond geen speelgoed is en men moet nooit toestaan dat de hond gepest wordt. In principe moet men honden en kinderen nooit alleen laten. Alleen u bent in staat om hond en kind te leren respectvol met elkaar om te gaan. Wanneer u hieraan in het begin veel aandacht besteedt, kunt u de basis leggen voor een vriendschap voor het leven en zullen ze veel plezier aan en met elkaar beleven.

Informatie

Wanneer u meer informatie wilt over de Belgische Herder, kunt u contact opnemen met de NVBH (Nederlandse Vereniging voor Belgische Herders,pup info: 0315-330837, aanmelden nieuwe leden: 0168-404732, infolijn: 0180-512879, na 19 uur. http://www.nvbh.nl/.

Standaard

Algeheel beeld/gedrag: Middelgrote, evenredig gebouwde hond, intelligent, stoer, gewend in de buitenlucht te leven, geschikt om de wisselende seizoenen en de wisselvallige omstandigheden van het Belgische klimaat te weerstaan.

Door zijn harmonieuze bouw en zijn fier gedragen hoofd heeft de Belgische Herder de indruk van een sierlijke en toch robuuste hond, hetgeen het erfdeel is geworden van de met zorg geselecteerde honden van een werkras. Hij heeft een aangeboren geschiktheid als kuddehond, maar beschikt daarnaast ook over de zo belangrijke eigenschappen van een goede bewaker van huis en haard. Zonodig is hij zonder aarzelen de vastberaden en hardnekkige verdediger van zijn baas. Hij is waakzaam en oplettend: uit zijn levendige en onderzoekende blik spreekt zijn intelligentie.

Hoofd: het hoofd is fijn gebeiteld, lang zonder overdrijving, droog. De schedel en de voorsnuit zijn ongeveer even lang met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte. Dit geeft het geheel de indruk van een fijne afwerking.

Neus: de neusspiegel: zwart, neusgaten goed geopend.

Snuit: middelmatig lang, zich naar de neus toe geleidelijk versmallend. De neusrug is recht: van opzij gezien loopt de neusrug parallel aan een denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de schedel. De bek is goed gespleten.

Lippen: dunne huid, goed aangesloten, sterk gepigmenteerd, het rood aan de binnenzijde van de lippen mag niet zichtbaar zijn.

Wangen: droog, zeer vlak maar wel gespierd.

Gebit: de kaak is voorzien van sterke en witte regelmatige tanden, die stevig zijn ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. Schaargebit, d.w.z. dat de snijtanden van de bovenkaak over die van de onderkaak moeten glijden zonder echter het contact te verliezen. Een tanggebit is toegestaan; door de schaapherders en veedrijvers wordt aan een tanggebit de voorkeur gegeven.

Stop: matig, maar gemarkeerd.

Wenkbrauwbogen: niet vooruitstekend, de snuit goed gebeiteld onder de ogen.

Schedel: middelmatige grootte, in verhouding tot de lengte van het hoofd, van voren bezien is de schedel eerder afgeplat dan rond, met een weinig afgetekende voorhoofdsgroef, van opzij loopt de schedel parallel aan de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de voorsnuit.

Ogen: matig groot, niet uitpuilend noch ingezonken, licht amandelvormig, kleur bruin, liefst donkerbruin, oogranden zwart. De blik is frank, levendig, intelligent en onderzoekend.

Oren: duidelijk driehoekig uitziend, strak rechtop gedragen, hoog aangezet, van evenredige lengte, de oorschelpen goed afgerond aan de basis.

Nek: zeer licht gebogen.

Voorhand: stevige botten, sterke en droge bespiering.

Schouders: de schouderbladen zijn lang en schuin geplaatst, goed vlak aanliggend en vormen met het opperarmbeen een hoek die voldoende open is om ruimte geven aan de ellebogen.

Opperarmen: moeten zich in een volkomen rechte lijn, parallel aan de lengteas van het lichaam bewegen.

Voorbenen: lang en goed gespierd.

Middenvoeten: sterk en kort, de gewrichten zijn glad zonder sporen van rachitis.

Voeten: bijna rond, de tenen zijn gebogen en goed gesloten. De voetzolen zijn dik en veerkrachtig, de nagels donker en sterk.

Lichaam: het lichaam is fors zonder zwaar te zijn. De lengte van de schoudertop tot aan het uiteinde van het heupbeen is ongeveer gelik aan de schofthoogte van een reu. Bij de teef mag deze afstand iets langer zijn.

Voorborst: van voren gezien niet breed, maar ook niet smal.

Borst: niet breed, maar daarentegen diep en laag, zoals bij alle dieren die een groot uithoudingsvermogen moeten hebben. De borstkas is begrensd door de ribben, die aan de bovenzijde gewelfd moeten zijn.

Schoft: goed afgetekend.

Rugbelijning: (rug en lendenpartij): recht, breed, sterk gespierd.

Buik: matig ontwikkeld, niet afhangend maar ook niet opgetrokken, van de borst naar de buik in een vloeiende gebogen lijn verlopend.

Kruis: zeer licht afhellend, breed zonder overdrijving.

Achterhand: krachtig zonder zwaar te zijn, zich in dezelfde lijn van de voorbenen bewegend. De achterbenen staan loodrecht op de grond.

Dijen: breed en sterk gespierd. De kniegewrichten bevinden zich ongeveer loodrecht onder de heupen (heupbeenderen).

Been: lang, breed, gespierd met een goede hoeking in het spronggewricht, echter zonder overdrijving. De sprongen zijn laag geplaatst, breed en gespierd. Van achteren gezien zijn ze absoluut parallel.

Middenvoeten: stevig en kort. Hubertusklauwen zijn ongewenst.

Voeten: iets ovaal van vorm, ronde en goed aangesloten tenen, dikke en veerkrachtige voetzolen. Nagels donker en sterk.

Staart: de staart is goed ingeplant, breed bij de aanzet, van middelmatige lengte. In rust hangt de staart met een licht gebogen uiteinde ter hoogte van de sprongen; in de beweging wordt de staart hoger gedragen, het uiteinde is meer gebogen, hoewel hij nimmer een haak of ene andere afwijking mag vertonen.

Beharing: aangezien de beharing wat lengte en ligging betreft verschilt bij de Belgische Herders, wordt dit als kenmerk gebruikt om onderscheid te maken tussen de verschillende variëteiten. Bij alle variëteiten moet de beharing altijd overvloedig zijn, goed aansluitend, van een goede structuur en met de wollige ondervacht ene uitstekende beschutting vormend.

Masker: het masker moet de neiging hebben de boven- en onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te bedekken in één ononderbroken zwarte zone.

Kleuren:

Tervuerense Herders: de zwartgevlamde vaalrosse kleur (fauve charbonné) is de meest natuurlijke kleur en verdient de voorkeur. Het rood moet warm van kleur zijn niet helder noch verbleekt. Een hond waarvan de vacht niet de gewenste diepe kleur vertoont, kan niet voor de kwalificatie Uitmuntend in aanmerking komen en zeker niet voor het CAC, het CACIB of een reservekampioenschap.

Mechelse Herders: uitsluitend zwartgevlamd vaal ros (fauve charbonné) met zwart masker.

Groenendaelers: uitsluitend diepzwart.

Laekense Herders: vaalrood, met zwarte haren voornamelijk op de voorsnuit en de staart. Een weinig wit is toegestaan op de voorborst en op de tenen.

Huid: veerkrachtig, maar vast aansluitend over het gehele lichaam. De zichtbare openingen zijn goed gepigmenteerd.

Afmetingen: de gewenste grootte is gemiddeld 62 cm voor de reuen en 58 cm voor de teven. Afwijkingen; naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.

Gangwerk: het gangwerk is levendig en vrij, zoveel mogelijk grond beslaand. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar. Door zijn uitbundige temperament heeft hij de neiging zich meer in cirkels dan in rechte lijnen te bewegen.

Maten: gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte van 62 cm heeft: schofthoogte 62 cm, lengte van het lichaam (van het boeggewricht tot aan het einde van het heupbeen) 62 cm, ruglengte (van de schoft tot aan het kruis) 41 cm, borstomvang achter de ellebogen minstens 75 cm, borsthoogte 31 cm, afstand van de grond tot onderzijde borst 31 cm, lengte van het hoofd 25 cm, lengte van de voorsnuit 12, 5-13 cm.

Fouten:

Karakter: agressief of angstig.

Neus, lippen, oogleden: sporen van pigmentverlies.

Gebit: licht bovenvoorbijten.

Ogen: licht.

Schouders: te steil.

Achterhand: zwak, steile spronggewrichten.

Voeten: gespreid.

Staart: te hoog gedragen, een haak vormend, gedragen in een lijn die afwijkt van de middellijn van het lichaam.

Beharing: geen ondervacht.

Kleur: grijs, kleur onvoldoende warm of verbleekt, omgekeerd masker.

Diskwalificerende fouten:

Gebit: sterk bovenvoorbijten of ondervoorbijten. Ontbreken van een aantal premolaren: de afwezigheid van de kleine premolaar (PM1) die achter de hoektand is geplaatst wor5dt niet bestraft. Daarentegen is het ontbreken va de beide PM1 of van de andere premolaar reden voor één lagere kwalificatie. Het ontbreken van gelijk welke drie premolaren of van twee grote heeft diskwalificatie tot gevolg.

Oren: afhangend of gemanipuleerd.

Staart: aangeboren korte staart of gecoupeerde staart.

Kleur: witte vlekken ergens anders dan op de voorborst of op de tenen. Bij de Tervuerense en de Mechelse Herder het ontbreken van een masker.

Karakter: honden die niet te benaderen zijn of overdreven agressief, evenals hypernerveuze en bange honden worden gediskwalificeerd. Men zal bij het keuren rekening houden met een rustig en onverschrokken karakter.

Geslacht: monorchide of cryptorchide reuen.

 

VARIËTEITEN

Langharig: kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en de onderbenen, behalve aan de achterzijde van de voorbenen, die bedekt zijn met lange haren van de elleboog tot aan de pols, wat bevedering wordt genoemd. Lang en vlak over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de nek en op de voorborst, waar het een halskraag en borstveer vormt. De openingen van de gehooringangen zijn beschermd door dichte haren. De haren vanaf de ooraanzet zijn opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De dijen zijn bekleed met zeer lang en zeer overvloedig haar, een broek vormend. De staart is bekleed met lang en overvloedig haar, een veer vormend. Op te merken valt dat men bij de langharige variëteit noemt:

Groenendaeler: die met lang, effen zwart haar.

Tervuerense: de zwartgevlamde vaalrosse kleur (fauve charbonné) die de meest natuurlijk kleur is en daarom de voorkeur verdient. Het vaalros moet warm van kleur zijn, niet helder noch verbleekt. Een hond waarvan de vacht niet de gewenste diepe kleur vertoont, kan niet voor de kwalificatie Uitmuntend in aanmerking komen en zeker niet het CAC, het CACIB of een reservekampioenschap. Het masker vereist een minimum van acht pigmentatiepunten: de beide oren, de beide bovenste oogleden, de beide bovenlippen en de beide onderlippen, die zwart moeten zijn. Een langhaar die niet zwartgevlamd vaalros is: zie ?beharing? en ?fouten?.

Fouten: wollige vacht, gekruld of gegolfd, onvoldoende van lengte. Bij de Groenendaeler: rosse schijn in de vacht, grijze broek. Bij de Tervuerense zijn ongewenst: het ontbreken van zwartgevlamd (charbonné) of verdeling hiervan in platen op het lichaam, onvoldoende masker of omgekeerd masker. Overmatig zwartgevlamd op het lichaam is niet gewenst.

Kortharig: zeerkort op het hoofd, de buitenkant va de oren en de onderbenen. Kort op de rest van het lichaam: iets langer aan de staart en rond de nek waar het een kraag vormt, die begint bij de ooraanzet en doorloopt tot aan de keel. Bovendien is de achterzijde van het dijbeen met lange haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar. Op te merken valt dat men bij de kortharige variëteit noemt:

Mechelse Herder: diemet kort haar, zwartgevlamd (fauve charbonné) en zwart masker. Dezelfde acht pigmentatiepunten van de Tervueren gelden ook voor de Mechelaar. Een korte vacht in een andere kleur dan zwartgevlamd wordt niet erkend.

Fouten: halflang haar waar het kort zou moeten zijn, harde haren tussen het korte haar in gegolfd haar. Totaal ontbreken van zwarte haarpunten of het aanwezig zijn van zwarte platen, onvoldoende masker of omgekeerd masker, te veel zwartgevlamd op het lichaam is niet gewenst.

Ruwharig: het meest karakteriserende van deze variëteit is de ruwe en droge vacht die er bovendien warrelig uitziet. De lengte is zo ongeveer gelijk over het hele lichaam, ongeveer 6 cm. Noch de haren rond de ogen, noch de haren rond de voorsnuit mogen zo lang zijn, dat de hond op een Barbet of een Briard lijkt. Toch is een baard of snor verplicht. De staart mag geen veer vertonen.

Op te merken valt dat men bij de ruwharige variëteit noemt:

Laekense Herder: die met een harde vaalrode vacht met een spoor van zwarte haren voornamelijk op de voorsnuit en op de staart.

 

VARIËTEITSKRUISINGEN: variëteitskruisingen zijn verboden, gehalve in die bijzondere gevallen waarin door bevoegde fokadviescommissie toestemming is verleend.

 

Opmerking: de reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.

 

Omhoog