Zeeuwse natuurvorser

Mesjeu!

0 reacties

Retrospectief dagboek (Libië 1)

Tripoli, zaterdag 17 juli 1993. ‘Mesjeu, á Gauche! Hé, gotfer, MESJEU, Á GAUCHE! In een reflex buig ik naar links en geef een ruk aan het stuur. De hoogbejaarde Mercedes mist op een kamelenhaar het enorme betonblok op de splitsing van twee hoofdwegen. De eveneens bejaarde, geschrokken chauffeur zet het voertuig min of meer aan de kant, de heftig claxonerende stroom auto’s negerend. Hij buigt diep over het stuur en lijkt in het niets te kijken. Behalve stokoud blijkt hij nu ook nog niets te zien met het rechteroog en nachtblind aan het andere. We sukkelen verder door de buitenwijken van Tripoli. Een politieagent houdt de auto aan, zegt niets van het bijna ontbreken van verlichting, maar confiskeert wel de Tunesische krant! Na enig zoeken en vragen vinden we tegen middernacht het grote hotel, waar men zowaar op de hoogte blijkt van onze komst. We overhandigen de chauffeur de afgesproken stapel bankbiljetten, schudden handen, wensen hem een lang en gelukkig leven en een behouden terugreis. Dan pruttelt de taxi stapvoets weg in de duisternis.

Op het balkon van de hotelkamer, met zeezicht, drinken we een paar flesjes koude limonade, met een zweem van campari. Een biertje zou beter hebben gesmaakt, maar alcohol is verboden in Libië. Het was een lange, wat met noemt erverende dag. Aangezien er wegens een internationale boycot geen vliegverkeer met Libië is, zijn Pim Wolf en ik gisteren naar Tunis gevlogen, in de veronderstelling daar een bus naar Tripoli te kunnen nemen. Die blijkt maar één keer per week te gaan, zodat we alternatief vervoer moeten zoeken. Volgens het moeizaam verkregen visum moeten we namelijk op 17 juli Libië inreizen. Een deel van de dag zoeken we naar een taxichauffeur die bereid is ons tegen een redelijk bedrag naar Tripoli te brengen, toch altijd nog 800 km. Uiteindelijk meldt zich de oom van de achterbuurman van de aangetrouwde neef van de hotelreceptionist: een sjofel uitziende man op leeftijd met een door plakband bijeen gehouden dikbeglaasde bril. Voor het astronomische bedrag van 1000 Dinar (bijna 500 Euro) biedt hij zijn diensten aan. We hebben geen keus.

Vanmorgen om 08:00 staat stipt op tijd een oude Mercedes voor het luxueuze hotel El Mechtel. Bij het schakelen kraakt de koppeling vervaarlijk en in de bodemplaat zitten doorgeroeste gaten. De Tunesische wegen zijn niet al te druk en het tempo ligt niet erg hoog. Af en toe maken we een korte stop om wat te eten en te drinken. Ik zit voorin en let vooral op het verkeer; ik voel me altijd oncomfortabel als ik niet zelf aan het stuur zit. Af en toe attendeer ik de chauffeur op een gevaarlijk rijdende tegenligger of een bocht: ‘Hé, mesjeu! Attention!’. Pim zit achterin en absorbeert gulzig alle nieuwe indrukken: landschappen en vooral vogels. Met een potlood priegelt hij pagina na pagina van zijn opschrijfboekje vol. Hij is voor het eerst buiten Europa, en dus regent het ‘nieuwe soorten’: Huisgierzwaluw, Zwarte Spreeuw, Blonde Tapuit, Arendbuizerd etc. Pim werkt nog niet zo heel lang als collega vogelteller bij Rijkswaterstaat, waar hij vooral zeevogels ‘doet’. Hij is negen jaar jonger dan ik, een scherp en kundig vogelaar, prettig eigenwijs en een innemende persoon. Zoals verwacht ontpopt hij zich als een enthousiaste en goede reisgenoot. De initiator van het project, Henk Spiekman, moet helaas verstek laten gaan wegens een minder tactisch geplande (?) gezinsuitbreiding. ‘Het project’ bestaat vooral uit de ambitie de enige Mediterrane broedplaats van de Bengaalse Stern te bezoeken. Dit eilandje is voor laatst door een ornitholoog bezocht in 1937 door de Italiaan Dr Edgardo Moltoni 5. Daarnaast willen we zo veel mogelijk gegevens verzamelen over vogels en natuurgebieden in het nauwelijks door vogelaars bezochte Libische kustgebied. Het uitvoeren van een dergelijk project in het gesloten en politiek geïsoleerde Libië is niet eenvoudig, en volstrekt onmogelijk zonder medewerking van lokale autoriteiten. Pim en ik werken onder de ‘vlag’ van de Stichting WIWO (Foundation Working Group International Wader and Waterfowl Reseach), onze ‘counterparts’ zijn verbonden aan de El-Fatah universiteit en aan het Marine Biology Research Centre in Tajura. Het project wordt via de WIWO gefinancierd door diverse sponsoren en we hebben een plezierig gevulde geldbuidel. Uiteraard gaat het wel in onze vakantietijd en leveren we zelf een financiële bijdrage. We zijn bijna een jaar bezig geweest met de voorbereiding, waarbij de communicatie met Libië traag en moeizaam verloopt: via de gewone post, de fax en zelfs via de telex (een apparaat dat nauwelijks meer te vinden is in Nederland).

Bij nadering van de grens staan tientallen mannen langs de weg, met jerrycans goedkope benzine en wapperend met dikke stapels Libische dinars: te wisselen tegen een gunstige koers. We verwachten een ‘zware’ grenspassage, met bewapende militairen, kruisverhoren, papierwinkels en fouilleren. De eerste verrassing wacht ons bij de Tunesische grenspost, die inderdaad zwaar bewaakt is en de nodige burocratische formaliteiten vergt. Een voorproefje van de Libische grens? De chauffeur blijkt niet te kunnen lezen of schrijven en Pim vult aan de hand van een smoezelig legitimatiebewijs een formulier in. Hij zegt: ‘Peter, kijk even mee, dit geloof je niet!’. De geboortedatum van Charbti Tahar is 28 april 1909: hij blijkt 84 te zijn… Bij het wegrijden vliegt een Bruingele Babbelaar bijna onder het rechtervoorwiel. De tweede verrassing is de Libische grens: een grenspost ontbreekt geheel! Na de Tunesische grenspost resteert slechts 170 km asfalt tot Tripoli! Na het invallen van de duisternis wordt het pas echt spannend en nu roepen zowel Pim als ik de chauffeur tot de orde als hij bijna de weg afrijdt. ‘Mesjeu!’.

Zondag 18 juli 1993. Na een sober ontbijt maken we een korte wandeling langs het strand. Enkele Strandplevieren, twee langsvliegende Witwangsterns, Kleine Zilverreigers en vissende Grote sterns. Enkele ‘vissers’ hebben een inventieve manier van vissen: ze mikken een staaf dynamiet in het water, na een doffe plof drijven honderden dode vissen aan de oppervlakte, die ze rustig snorkelend verzamelen. Om 10:00 zien we twee volwassen Bengaalse Sterns langsvliegen: ze zijn er nog! Tegen het middaguur worden we opgehaald door Dau Hadoud, een van de counterparts. Hij is begin dertig, vader van drie en als bodemdierexpert verbonden aan het Marine Biology Research Centre in Tajura. Daarnaast heeft hij belangstelling voor zeeschildpadden. We maken kennis met de directeur van genoemd instituut, Dr Dawid Said Dawid, en met diverse onderbaasjes en maken afspraken over het programma, een gemeenschappelijk rapport en eventuele publicaties in tijdschriften. Men heeft het plan opgevat niet alleen het ‘bekende’ eiland van de Bengaalse Stern te bezoeken, maar in tien dagen tijd de hele Libische kust te onderzoeken, te beginnen op de grens met Egypte, een kleine 2000 km van Tripoli…

                      Dau Hadoud, één van de twee Libische counterparts.

De volgende dag staan we met de forse 4WD Toyota landcruiser, met FAO-logo, volgepakt voor de deur van onze tweede metgezel: Dr Mohamed Essghaier. Dr Mohamed is midden vijftig en lijkt wel wat op Frank Zappa. Zijn gegolfde grijze haar is van rechts naar links over zijn kale schedel geplakt; soms waait het hele haarpakket op als een deksel. Hij duwt het zaakje dan weer op zijn plaats en kijkt schichtig om zich heen of niemand het gezien heeft. Dr Mohamed is als zoöloog verbonden aan de Al-Fatah Universiteit. Hij, noch Dau, hebben kennis of ervarig met vogels, maar ze hopen veel te leren. Met een gangetje van 110 km/uur rijden we oostwaarts, eerst langs de kust, dan steeds vaker door lege struikwoestijnen en sebkha. Via Misratah en Surt (Sirte) rijden we de 750 km naar Ras Lanuf. Na een overnachting in een hotel resteren nog 880 km naar Ayn el Gazalah. In de woestijngebieden zien we nu regelmatig Renvogels en Witbandleeuweriken. Tegen het eind van de middag rijden we door het groene berglandschap van Gebel el Akhdar (‘de groene berg’), waar vooral de kloof van Wadi Kouf indrukwekkend is. Een korte stop levert hier o.a. Alpengierzwaluwen, Kleine Zwartkoppen en twee Havikarenden op. ’s Middags mag ik een zowaar uurtje rijden: wat een ontspanning! Dan neemt Dau het stuur weer over en dan gaat het weer plankgas over de redelijk drukke kustweg: vrachtwagens, overbeladen Egyptische taxi’s, bussen etc. In Libië vallen jaarlijks 7000 doden in het verkeer, waarvan het grootste deel op deze kustweg. Mijn tenen trekken steeds krommer, maar ik houd me in, althans tot het moment dat Dau een trage vrachtwagen inhaalt nét voor een heuveltop, zonder enig zicht op eventuele tegenliggers. Als ik vraag iets voorzichtiger te rijden antwoordt hij met een brede lach: ‘an accident is the will of the God, not my fault’ en ook ‘if I make accident, I make a big accident, to be dead immediately’. Dat stelt gerust…

                                            Dr Mohamed Assghaier (alias Zappa).

We zullen de komende vier dagen overnachten in een veldstation ‘in the middle of nowhere’, naast de experimentele viskwekerij van Ayn el Gazalah. Het gebouw wordt behalve door enkele Libiërs bewoond door een aantal Koreaanse viskwekers. Pim en ik besluiten buiten te slapen in plaats van met tien man in een warme bedompte ruimte. Dat wordt een hele strijd, want men vindt buiten slapen gevaarlijk en onverantwoord. We houden vol en rollen onze slaapzak uit op een steiger, onder een stralende sterrenhemel, maar wel geteisterd door muggen.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.