Zeeuwse natuurvorser

Elburz

0 reacties

---------------Retrospectief dagboek: Iran (3)

 

Donderdag 22 januari 2004. Miankaleh en Gorgan Bay blijken het enige echte natuurgebied binnen ons telprogramma. De overige te tellen gebieden blijken te bestaan uit 330 km foeilelijke kustlijn van de Kaspische Zee, deels volgebouwd en vaak lastig te bereiken. Verder allerlei waterreservoirs in vlakke landbouwgebieden. Een deel van deze reservoirs is ingericht voor de vangst van eenden. 2 Veel vogels profiteren van de strikte rust die hier wordt gehandhaafd, onder andere de laatste resterende ‘westelijke’ Siberische Witte Kraanvogels, die we inderdaad zien. We werken ons programma keurig af; het lijkt soms bijna werk…

Mark en ik hebben bedongen op de terugweg tenminste een hele dag door te brengen in het hooggebergte. Parvis is daarmee akkoord en vandaag rijden we het Elburzgebergte in. We melden ons bij een DoE-kantoortje, het gezelschap wordt versterkt met enkele lokale DoE-medewerkers, in uniform en voorzien van kalashnikovs. Steeds hoger, steeds kronkeliger wegen en steeds meer sneeuw. Het landschap is adembenemend, het bochtenwerk en slechte gebruik van de versnelling helaas ook. We belanden bij het gehucht Kanarbun, gelegen op 2711 m. De bedoeling is vanaf hier een ‘wandeling’ te maken naar een dorpje aan de andere kant van de berg, waarbij te voet een pas moet worden genomen. In de zomer is dit een redelijk begaanbaar pad, maar ook dan toch een paar uur klimmen en dalen. De twee DoE-medewerkers beschouwen het ook als een uitdaging, want in de winter hebben ze dit ook nog nooit gedaan! Ik twijfel, maar als onze auto in de verte verdwijnt wordt duidelijk dat er geen keuze meer is. De auto zal ca. 40 km omrijden, en ons aan de andere kant van de berg opwachten…

Dapper beginnen we aan de wandeling. Aanvankelijk door een beekdal met niet al te steile hellingen. Er ligt wel overal verse sneeuw. De gymschoenen van Parvis zijn al snel doorweekt, onze Meindels doen het beter! Sporen van beren, wolven en zelfs van een luipaard. De bijbehorende beesten krijgen we niet te zien, maar zijn wel in de buurt. Mark hoopt op het Kaspisch Berghoen, een soort die ik in Turkije al heb gescoord (uh, althans gehoord; zie het stukje: Bergkip). De lucht is ijl, het vriest, ik heb ademnood en voel dat ik dit niet ga redden. Ik moet steeds vaker even gaan zitten om op adem te komen en krijg steeds heftiger maagkrampen. We zijn nog geen anderhalf uur onderweg en de te nemen pas ligt nog ver boven ons. Ik twijfel, maar hak dan de knoop door: ik wil terug! Eén van de ‘boswachters’ is bij mij gebleven, de andere is met Mark en Parvis uit het zicht verdwenen. Per radio wordt contact opgenomen met de rest van het team, en met name met de chauffeur, Medjid. Hij zit net aan de waterpijp en is niet blij dat hij nu terug moet: weer twee keer veertig kilometer glibberweg. In ruim een uur lopen we terug naar de weg. Medjid is uitgesproken sacherijnig en rijdt veel te hard naar mijn zin over de gladde wegen. Hij lucht zijn hart tegen de ‘boswachter’. Dan een steile, onverharde weg met veel haarspeldbochten. We stoppen bij een houten bouwsel aan de rand van het dorpje Haridzja, aan de voet van een imposant rotsmassief.

Het rotsmassief waar 'de echte mannen' moesten afdalen. Het DoE gebouwtje op de voorgrond (foto Mark Zekhuis).

Het DoE-gebouwtje wordt bewoond door enkele boswachters ‘op leeftijd’, waaronder de Irakese Koerd Mustafa. Hij vindt het prachtig dat ik een beetje Arabisch brabbel en is dol op de Samson sjekkies die ik voor hem draai. De houtkachel brandt en het is behaaglijk. De uren verstrijken en de mannen proberen af en toe radiocontact te krijgen met de groep wandelaars. De radio produceert alleen gekraak. De Koerd neemt me mee naar buiten en wijst naar boven, naar de top van het rotsmassief: daar moeten de mannen vandaan komen. Ik zie enkele Lammergieren, Alpenkraaien en tientallen steenbokken. Inmiddels begint de onrust te knagen, zo te horen ook bij de DoE collega’s. Het begint te schemeren en er valt fijne sneeuw. De radio zwijgt. Om 16:30 verdwijnt de zon achter de bergen. Ik informeer voorzichtig of er een hotel in de buurt is: er wordt hard gelachen…

Rond de kachel in het DoE gebouwtje. Naast PM de Iraakse Koerd Mustafa.

De mannen zijn nu al bijna zes uur onderweg. Buiten giert nu de wind, binnen snort de kachel. Plotseling klinkt tussen het gekraak een stem uit de radio. Over een half uur zijn ze er! Na nog bijna een uur doemen uit het duister drie mannen op. Ze zijn letterlijk uitgeput na een barre tocht, loodzwaar lopen en klauteren door diepe sneeuw en koude modder, glijdend langs steile hellingen en ten slotte een levensgevaarlijke afdaling over via puinhelling. De gymschoenen van Parvis zijn volledig aan flarden en zijn voeten bebloed en half bevroren. Volgens Mark zou ik het niet gehaald hebben… Mijn intuïtie bleek juist! Ondanks alle ontberingen is Mark tevreden met de waarnemingen onderweg: Sneeuwvinken, Beflijsters en in de schemering zowaar het begeerde Kaspisch Berghoen!

Medjid maakt ruzie met Parvis. De eerste wil vanavond nog naar Teheran, want hij is het na twee weken duidelijk beu en wil naar vrouw en kinderen. Er is duidelijk sprake van een gebrek aan communicatie tussen die twee. Inmiddels woedt een heuse sneeuwstorm en het afleggen van nog eens 220 km naar Teheran onder deze omstandigheden lijkt me niet aan de orde. De ruzie loopt op en Medjid verlaat met een knallende deur het gebouwtje. Groot is onze verbazing als we 10 minuten later een auto horen starten en wegrijden… Nog groter is onze verbazing als blijkt dat Medjid al onze bagage heeft uitgeladen en in een grote kring in de sneeuw heeft gedeponeerd.

Na vertrek van Medjid wordt het weer gezellig in de warme kamer. We drinken veel thee en delen het weinige beschikbare voedsel: gebakken ei, tonijn met bonen en lappen brood. De conversatie is van het soort: ‘ligt Nederland in Europa of in Amerika’; ‘wat kost een koe en hoeveel melk geeft deze?’. We horen een Koerdisch lied aan en Mark en ik zingen het Wilhelmus. Als beloning mogen wij in de enige twee bedden in de slaapkamer, de andere mannen liggen op de grond. Hoe komen we hier weg?

De volgende ochtend wordt per radio contact gezocht met het DoE hoofdkantoor. Men belooft een auto te sturen, die inderdaad om 10:00 verschijnt, tot onze opluchting. We transformeren de berg losse bagage in compacte eenheden, vogelen nog even in de snijdende kou (met muts en handschoenen) en poseren voor de foto mét kalashnikov! Aan het eind van de middag arriveren we– na twee bijna-aanrijdingen – in Teheran en worden gedropt bij hotel Iranshar, kleiner en nog luxer dan ons eerste hotel.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.