Zeeuwse natuurvorser

Fantoompieper

1 reactie

Vlissingen, 17 september 2012. Wat had ik er vroeger de pest aan: soortenjagers! Absoluut nutteloze, kilometervretende en competitieve natuurbeleving. Ik moest er niets van hebben. Als serieuze vogelaar inventariseerde je broedvogels, deed mee aan midwintertellingen, punttransecttellingen, atlasprojecten, telde slaaptrek, zeetrek, landtrek, hielp bij het ringen van vogels, schreef artikeltjes of zelfs dikke rapporten en verslagen. Natuurlijk was het wel leuk om zelf iets bijzonders te ontdekken en toen ik op 15-jarige leeftijd een Ralreiger zag (en zelfs wist te fotograferen) lag ik een nacht wakker van pure opwinding. Misschien is er op dat moment wel een kiem geplant die pas later tot ontwikkeling kwam.

Toen ik in 1976 ‘beroeps-vogelteller’ werd, raakte ik in zekere zin een hobby kwijt. Het tellen van watervogels werd een routine en in mijn vrije tijd ging ik andere dingen doen. Ik wierp me op triviale, doch tijdvretende zaken als het verzamelen van postzegels en genealogie.

Vaak wist ik wel van de aanwezigheid van een bijzondere vogel, maar ik ging er zelden naar toe. Wat had ik er verder aan toe te voegen? Hoewel ik de oprichting van de Dutch Birding Association (een club van ‘soortenjagers’) in 1978 betreurde (want waarom niet onder de vlag van de Nederlandse Ornithologische Unie), werd ik toch direct donateur. Ik had immers abonnementen op alle landelijke vogeltijdschriften en Dutch Birding was wel degelijk een leuk blaadje. Maar soortenjagen, nee, niet mijn passie en ik liet me er wel eens laatdunkend over uit… In 1989 werkte ik samen met Hans Schekkerman, die als ‘gewetensbezwaarde’ veel nuttig werk deed voor Rijkswaterstaat. Hans was niet alleen een pientere bioloog, maar ook niet vies van het bezoeken van een zeldzame soort. Met hem deed ik de eerste voorzichtige stappen op het ‘twitcherspad’, met bezoeken aan Steppekievit en Grote Kruisbek. Daarnaast ontdekte Hans veel zelf: een Kleine Kokmeeuw bij Ritthem, en ‘samen’ vonden we binnen een paar weken een Terekruiter, een Dougalls Stern en als klapper de eerste Brilsterns voor Nederland. Natuurlijk zag Hans ze nét iets eerder dan ik!

In 1991 vond Pim Wolf onderdak bij Rijkswaterstaat en met zijn komst was het hek van de dam.  Mijn lijstje telde toen nog geen 300 soorten, maar in 1991 begon een inhaalslag, culminerend met maar liefst 18 ‘nieuwe’ in 1995! We maakten dankbaar gebruik van de opkomende nieuwe technieken. Eerst was er de ‘telefoonlijst’: mensen die je kon bellen om nieuws te vernemen of door te geven over de aanwezigheid van zeldzaamheden. Toen kwam de ‘Dutch Birding Vogellijn’, een telefoonnummer waar men waarnemingen kon inspreken en een bandje afluisteren wat een paar keer per dag werd ingesproken door een vrijwilliger. Eus van den Burg, Remco Hofland en Klaas Haas vervulden jarenlang deze taaie en vaak ondankbare klus. Hulde aan deze mannen! Later werd dit een betaalde service voor een bedragje per minuut. Natuurlijk werd dit nummer vele malen gebeld met de kolossale veldtelefoon van Rijkswaterstaat: er zat een luidspreker in en alle aanwezigen op de Telpost Breskens konden meeluisteren. Dit toestel draaide op het eigen net van Rijkswaterstaat en wij hadden de illusie dat het bellen van de ‘vogellijn’ kosteloos was. Dat bleek later toch anders uit te pakken…

Om écht geen zeldzaamheid te missen werd de ‘pieper’ een onmisbaar attribuut. Dit semafoonsysteem van de PTT was vooral bedoeld voor het oproepen van brandweer en medisch personeel, maar bleek ook bruikbaar om door middel van een ingenieus cijfercodesysteem de aanwezigheid van een zeldzame vogel door te geven aan een hele groep mensen. Jarenlang waren er slechts 50 gelukkigen en was er een wachtlijst voor een vrijkomende pieper. Hoewel de aanschaf van een ‘pieper’ een redelijk prijzige aangelegenheid was, waren er later wel vijf semafoongroepen. Het gevouwen A-4-tje met de codelijst was onmisbaar (diverse malen belandde er een in de wasmachine), de ‘pieper’ werd een soort lichaamsdeel. Tot vreugde van gezin en collega’s produceerden de latere modellen niet alleen een doordringende elektronische piep, maar kenden ook een trilstand. Vooral in mei en oktober, en zeker tijdens de ‘Dutch Birding Vogelweek’ op Texel, kon het erg onrustig zijn in de broek. Hoewel de semafoon al vele jaren is vervangen door mobiele telefoons met SMS en email, voel ik soms nog duidelijk het typische getril in mijn rechterbroekzak. Als ware het de pijn in de hand die mensen met een afgezette arm soms voelen.

1 reactie

Dit is bijna geen hobby meer maar professioneel werk, maar wel mooi hoor.

groet, Chris

cverkaart

17 September 2012 om 19:23

Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.