Zeeuwse natuurvorser

Flitspuit

1 reactie

----------------------------Retrospectief dagboek 

Aswan, 10 april 1983. Met een binnenlandse vlucht leg je de afstand Cairo-Aswan af in ruim een uur, met de doorgaande trein in zestien uur. Wij doen bijna een week over deze 900 kilometer, gebruik makend van - al dan niet collectieve - taxi’s, bussen, derde klasse boemeltreinen, liftend en lopend. Het tempo is bewust traag omdat we op zoveel mogelijk plaatsen gegevens willen verzamelen over de aanwezigheid van broedvogels. Daarnaast noteren we natuurlijk ook alle andere vogels die we zien. Dit alles met het doel al deze gegevens ooit te bundelen in een boek over de vogels van Egypte 1. We belanden regelmatig in dorpen waar zelden of nooit een toerist wordt gezien. De hotelaccommodaties variëren tussen oncomfortabel en buitengewoon smerig: benauwde hokken met muggen en kakkerlakken, door generaties Egyptenaren beslapen lakens, ranzige kussens, doorzakkende bedden en gore toiletten. Er is meestal geen keus.  

Vandaag arriveren we in Aswan, de meest zuidelijke stad van Egypte. Bovendien een populair toeristenoord met een ruim aanbod aan hotels. We trakteren onszelf op een kamer met airco en nuttigen diverse smakelijke maaltijden. Toch zijn we ook hier slechts op doorreis. In de souk slaan we de nodige proviand in: water, koekjes, brood, sinaasappels en de obligate driehoekige smeerkaasjes, met 12 stuks verpakt in een rond kantonnen doosjes (“Kirri”, de Egyptische variant van het Franse merk “La vache qui rit”).  Op reis met twee Denen. Ib Petersen, met 25 jaar iets jonger dan ik en met de nodige Egypte-ervaring. We hebben elkaar al diverse malen ontmoet, maar niet eerder in Egypte. Steen Christensen 2 oogt met zijn lange haar, pluizige baard en door veldwerk gegroefd gezicht ouder dan zijn werkelijke 40 levensjaren. Hij heeft echter wel kans gezien een studentenkaart te bemachtigen en bedingt met een stalen gezicht overal korting als “student”. Steen (“my friends call me Jean”, uitgesproken als “Sjang”) heeft al de nodige faam verworven als één van de auteurs van een baanbrekend boek over de determinatie van roofvogels3. Hij werkt nu met een aantal anderen aan een veldgids, die het gehele Midden-Oosten en Noord-Afrika zal bestrijken, een ambitieus project 4. Zijn deelname aan de tocht heeft niet alleen tot doel in het veld ervaring op te doen met allerlei typisch Egyptische soorten, maar ook om kennis te maken met een aantal Afrikaanse vogelsoorten die ook net in het zuidelijk deel van het Arabisch Schiereiland voorkomen. Nu gaan wij voor die soorten niet naar het Arabisch Schiereiland, maar wel naar Soedan! Voor mij een uitdagende stap verder zuidelijk, na diverse bezoeken aan Egypte. Daarnaast een kans vogelwaarnemingen te doen op het Nassermeer, het enorme stuwmeer op de grens van Egypte en Soedan.  

 

Op maandag 11 april nemen we in alle vroegte een taxi naar de High Dam. We bemachtigen een kaartje voor de pont en sluiten ons aan bij de menigte van vele honderden wachtenden. Dát is echter niet de bedoeling! De menigte wordt door politieagenten met lange stokken in het gareel gemept. Men dient zich op te stellen in lange rijen. Blanke toeristen worden uit de rij gehaald en in een groepje apart gezet: helemaal vooraan. Met vijftien “witten” is het wel op, meest jongeren met lang haar, spijkerbroek en rugzak. Een in een fel gekleurd shirt geklede, reflecterende zonnebril dragende, erg donkere man is in hevige discussie met een Egyptische politieman, in het Engels. Hij mag zich aansluiten bij het groepje “witten”, want hij is ook toerist, zo vertelt hij mij even later. Zonnebril even omhoog: knipoog. Uit Nigeria!  De toeristen mogen als eerste aan boord van de "10th of Ramadan” om een plekje te zoeken. “De” veerboot blijkt te bestaan uit drie naast elkaar liggende, met kabels verbonden schepen, de grootste in het midden. Via allerlei loopplanken en trappen belanden we uiteindelijk op het bovendek van het middelste vaartuig. Hier claimen we een zit- en ligplek, want we zullen hier drie dagen en twee nachten moeten doorbrengen. Dan volgt de invasie van de honderden andere passagiers. In de chaos probeert iedereen een zo gunstig mogelijke plek te veroveren. Families met enorme hoeveelheden bagage in bundels en builen, huilende kinderen in soorten en maten. Binnen de kortste keren is er geen vrije plek meer te vinden en om toilet of restaurant te bereiken is het dringen door en over de mensenmassa.

Een Italiaanse, een Engelse en een Deen: Ib Petersen. Een Italiaanse, een Engelse en een Deen: Ib Petersen.

Een Italiaanse, een Engelse en een Deen (Ib Petersen). 

Kort na de afvaart trekt een vreemde lucht vanuit het binnenste van het schip richting bovendek; een witte mist welt op tussen de schepen. Meerdere mannen met enorme flitspuiten “ontluizen” passagiers en bagage, vermoedelijk met pure DDT. Op het bovendek weten we maar net te ontkomen aan directe bespuiting.  Dan wordt iets omgeroepen. Iedereen wringt zich weer in lange rijen: paspoortcontrole. Ook ik voeg me in de rij en ontdek na de paspoortcontrole dat er nog iets gebeurt: iedereen krijgt een injectie met een flinke spuit, die keer op keer wordt gevuld uit een pot met ”iets”. Met veegt de spuit voor elk hergebruik af met een morsige doek. Ik weet niet hoe gauw ik uit deze rij moet wegkomen.  Verder is het aan boord wel gezellig. Je kunt voor paar pond gebraden kip met rijst en groente kopen in een klein restaurant. De meeste passagiers koken echter zelf: overal branden oliestelletjes, gasbranders of kleine vuurtjes: kooltjes op een metalen dienblad. Niemand schijnt zich het brandgevaar 5 te realiseren: “Insh’ Allah”. Het onvermijdelijke toiletbezoek is geen feest; een beschrijving overbodig.

We vermaken ons met diepgaande gesprekken en vogels kijken, hoewel het laatste sprokkelen is: een Kleine Pelikaan, enkele Barbarijse Valken, Sporenkieviten en Bleke Rotszwaluwen. Om 22:00 wordt gestopt voor de overnachting. Roepende Senegalgrielen in de stille nacht.  Om 05:00 een siddering door het schip. We varen weer: een volle dag en wederom een overnachting. Op woensdag 13 april passeren we Abu Simbel (Afrikaanse Witte Kwikstaarten!) en komen dan op het Soedanese deel van het Nassermeer.

Wanneer we de oever naderen nabij Wadi Halfa, staan daar vele tientallen vrachtwagens te wachten. Het treinstation blijkt kilometers verderop. Ook wij hijsen ons achter op een truck, die ons naar een klein houten gebouw brengt, bij het begin (of het einde?) van de rails. Er zijn drie loketten, genummerd van één tot en met drie. Voor loket drie staat een lange rij wachtenden. Ik klop op het luikje van loket twee. Het luik gaat krakend open; de man kijkt mij nieuwsgierig aan. Ik vraag om drie kaartjes voor de eerste klasse. “This second class; first class next window”, zegt de man. Ik klop op het houten luik van loket nummer één. Het luik open met nog luider gekraak en dezelfde man zegt met een brede lach: “No first class, this train only third class!”. Tegen deze klantenservice heb ik weinig in te brengen en sluit gedwee aan in de rij voor loket drie.

Na een paar uur wachten verschijnt een stofwolk aan de horizon: zowaar, de trein! We vinden een plaatsje op de harde houten banken. Overal ligt poederfijn geel zand. De meeste ramen zijn defect of afwezig. We hebben nog een uur daglicht, maar er is niets anders te zien dan een absoluut levenloze zandwoestijn. Nog een etmaal te gaan tot Khartoem!  

Noten 

1 Goodman S.M. & Meininger P.L. (Eds) 1989. The birds of Egypt. Oxford University Press, Oxford.

2 Steen Christensen, een markante persoonlijkheid, overleed in november 2008 op 65-jarige leeftijd, nog steeds een “birding hippy” (zie “Obituary” in Sandgrouse 31: 207 [2009]).

3 Porter R.F., Willis I., Christensen S. & Nielsen B.P. 1974. Flight identification of European raptors. Poyser, Calton.

4 Hollom P.A.D., Porter R.F., Christensen S. & Willis I. 1988. Birds of the Middle East and North Africa. Poyser, Calton.

5 Slechts een paar weken na onze overtochten, op 25 mei 1983, brak brand uit op de "10th of Ramadan”. Er vielen minstens 317 doden bij de ergste scheepsramp ooit in Egypte.    

1 reactie

Toen ik in 1976 voor de eerste maal Falsterbo bezocht was Steen Christensen er ook. Hij was steeds te vinden op "the point" of "the heath". Hij was - voor een Zweed - heel aanspreekbaar en zo kon ik met hem enkele malen  van gedachten wisselen over het voorkomen van "steppenbuizerd" Buteo buteo vulpinus in Falsterbo. Nice to meet you ... Maar ben later toch zweeds gaan studeren.

Franklin Tombeur

14 February 2012 om 06:21

Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.