den archivaris

Welkom op mijn weblog

d'n blooten opsteker

0 reacties
Goes had sinds 1554, toen een deel van de stad afbrandde, magere tijden beleefd. Na 1554 was er nauwelijks geld om de stad weer op te bouwen. De troebele tijden deed het aantal inwoners sterk slinken en toen kwam in 1572 nog het beleg van de Geuzen. De stad kende in dat jaar de legering van een sterk Spaans legercontingent, dat de Geuzen tot twee keer toe met bebloede koppen deed afdeinzen. Om enigszins bevrediging te vinden, brandden ze toen Kloetinge maar af en sloopten de kerk in Oud-Sabbinge. In 1577 sloot de stad een verdrag met de Prins van Oranje, dat de verdwijning van de Spanjaarden tot gevolg had. Een belangrijk legaat van Pieter Jasperse en de toestemming van de Prins om de goederen van het Kruisbroedersklooster te mogen verkopen, waarvan de baten zouden worden aangewend voor de verbetering van de levenssituatie van de arme ingezetenen, droegen bij aan de wederopstanding, die in de jaren 1588 tot 1598 overigens in de gehele Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden plaatsvond. Als het ook geldelijk beter gaat met de mensen, dan is er weer ruimte om na gedane arbeid eens in de kroeg te gaan zitten, zeker op een zonnige zondagmiddag. Goes was inmiddels wel protestants geworden, maar de katholieke manier van leven was nog lang niet uit de mensen verdwenen. In 1592 bevond Jan Gras zich met een aantal kornuiten in een herberg aan de Grote Kade, waar stevig werd ingenomen en alom jolijt heerste. Grove moppen veroorzaakten daverend gelach en het "waard, schenk nog eens in" was niet van de lucht. De oortjes en duiten rolden met groot gemak over de tafels en van lieverlee raakten Jan en zijn vrienden duidelijk boven hun theewater. Thee werd toen nog niet gedronken, maar u begrijpt wat ik bedoel. Venijn deed zijn intrede. De grollen werden persoonlijker en vooral kwetsender. Gras maakte het tegenover Willem Willemsz wel heel erg bont en noemde hem een man die met horentjes liep. Willemsz moest zijn vrouw eens beter in de gaten houden, want die deelde het bed met jan en alleman. Willem moest zijn 'bloten opsteker' eens wat vaker gebruiken. Die opmerking had een hoop pret tot gevolg. Willem, die kwaad geworden was, greep Jan bij de keel en eiste een verklaring. Met de andere hand greep hij zijn mes en plantte dat op de keel van Jan. " Man, man,' piepte Jan nog half lachend, "ik spreek niet van uw mes, maar van uw jonghgeselle onder aan uw lijf." Het was allemaal tegen het zere been van Willem, die uit kwaadheid Jan de keel wou afsnijden. De waard kon dat, door de woedende man achteruit te trekken, nog voorkomen. Jan rende als een haas de herberg uit, waarop de woede van Willem zich op de waard richtte. Hij bracht de man een verwonding toe. Inmiddels was de baljuw gewaarschuwd, die Willem in de kraag greep. Voor het schepencollege verontschuldigde Willem zich en gaf een verklaring van het waarom. Toch ontliep hij zijn straf niet. Het gaf geen pas om zomaar uit woede de blote opsteker (een mes) te pakken, vonden de schepenen, en straften hem met een verbanning van twintig jaar. De veroorzaker Jan Gras bleef geheel buiten schot. De waard genas voorspoedig.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.