den archivaris

Welkom op mijn weblog

z'n eigen advocaat

0 reacties
Lef kon je de man niet ontzeggen. Hij was maar een gewoon arbeidertje, dat in Middelburg was komen wonen vlakbij de Kuiperspoort, in een klein huisje, dat zo'n beetje tegen een ander huis aanhing. De zolders waren slechts door wat latwerk van elkaar gescheiden. Een muur zat daar niet tussen. Eens op de zolder gekomen hoorde hij de buurvrouw praten tegen haar man, alsof hij er bij stond. Zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Daarom liep hij als op kousevoeten naar de planken muur toe en luisterde het gesprek af. Dat was op zich niet zo interessant. De buren waren namelijk al lang met elkaar getrouwd. Wat de man, laten we hem Jan Vermeulen noemen, echter ook hoorde was het rinkelen van geldstukken en het dicht doen van een deur. Daar moest hij meer van weten! Hij liep naar beneden en tot zijn geluk ging de buurman weg. De buurvrouw bleef buiten staan en zwaaide haar man uit. Jan liep ook naar buiten toe en begon een praatje. Toen zijn eigen vrouw er ook bijkwam, liep hij zijn eigen huis weer in en sloop naar het zoldertje. Daar verwijderde hij voorzichtig wat planken van de afscheiding, kroop er door en zag op het zoldergedeelte van zijn buren een houten kast staan. Die bleek niet op slot. Hij bekeek de inhoud van de kast. Vanwege het schemerdonker kon hij zo gauw het geld niet vinden en nam hij daarom een nieuwe lakense jas van de buurman mee. Die paste hem uitstekend. Met jas sloop hij terug naar zijn eigen zolder en zette de planken weer op hun plaats. Buurvrouw en eigen echtgenote waren inmiddels weer aan het huiswerk gegaan. Maar ach, toen maakte hij een fout. Hij trok de jas aan en ging ermee naar buiten. Buurvrouw zag hem door de ramen van haar huisje en zag Jan in een jas die ze niet van hem kende. Eerst dacht ze: zeker jas gekocht, maar na een dag bleek de jas van haar eigen man uit de kast te zijn. Ze stoof op Jan en zijn vrouw af en betichtte hem van diefstal. Vanzelfsprekend ontkende Jan dat, maar ze liet het er niet bij zitten en lichtte de Justitie in, die Jan oppakte en verhoorde. Ook daar hield hij vol niets te weten van diegstal. Hij had het kledingstuk laten maken bij een kleermaker uit Goes. Helaas wist hij de naam van die man niet. Toen hij echter werd voorbereid op een "scherper examen", liggende op de beulsplank, gaf hij toe de jas gestolen te hebben. Maar die diefstal was eigenlijk niet zijn schuld. Zijn vrouw had hem er toe aangezet. Hij wilde het eigenlijk niet, maar, zo betoogde hij tegen de baljuw, die een slecht huwelijk had en dat was algemeen bekend, "U weet toch hoe vrouwen zijn?" En wat was nu een jas? Niks waard vergeleken bij de Bijbel met zilverbeslag, die er lag en waaruit de buren nooit lazen, dat wist hij zeker. Verder was de kast niet op slot geweest, dus eigenlijk vroegen de buren erom, dat daar wat uit  gestolen werd. Het was hun schuld. Hadden ze de kast maar op slot moeten doen. Het kon toch niet zo zijn, dat de eis van de baljuw in het vonnis tot uiting kwam. Geseling, brandmerking en 21 jaar in het Spinhuis, dat was toch veel te zwaar voor zo'n onnozel vergrijp. Het schepencollege strafte met brandmerking en verbanning voor altijd uit Zeeland en Holland. We schrijven 1730.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.