den archivaris

Welkom op mijn weblog

half vol

1 reactie

De koe van de armen noemde men vroeger de geit wel. Geitenmelk was gezond voor de kleine geitjes en de kinderen van de arbeider. Kleine geitjes, daaraan kwam de bok te pas en in elk dorp was er wel een bokkenhouder, waar de arbeiders tegen betaling hun geit konden laten dekken, wanneer mevrouw geit daarvoor door de natuur ontvankelijk was gemaakt. Zo ook eens in het Nieuwdorp van lang geleden, waar twee jochies van een jaar of twaalf van vader de opdracht kregen om met de geit naar de bok te gaan. Hij gaf een dubbeltje dekgeld mee. De bokhouder woonde aan de Citadel en dat was best nog een stukje lopen vanaf de Havenweg. Het geviel dat de broertjes langs het winkeltje van Maatje Cent kwamen, waar achter het winkelraam in de uitstalkast kwattareepjes van vijf cent op de gewillige koper lagen te wachten. Die zagen er lekker uit en dat was kost die de jongens vrijwel nooit kregen. Het water liep ze in de mond en natuurlijk geviel het dat ze chocolade kauwend en met vijf centen richting bok verder liepen. De bokhouder moest het deze keer maar met een stuiver doen. Zou-ie dat?, vroeg de kleinste aan zijn broer, maar die zou er wel wat op verzinnen. Bij de bokhouder aangekomen, deelden ze de boodschap van vader mee, maar de oudste voegde eraan toe: we hebben maar vijf cent. Laat de bok haar maar halfvol doen.

1 reactie

Prachtig verhaal!

Een mevrouw uit Vossemeer, Nel Slager-den Engelsman, die dialectverhalen schrijft, schreef over een geitenfokvereniging. Die had je er twee op Oud Vossemeer, een katholieke en een protestante. Ik probeer het verhaal een keer te achterhalen, moet het dan wel eerst vragen voor publiciteit, niet met andersmans veren pronken, dat heb ik geleerd.

Groeten

Jopie Meerman

20 March 2014 om 15:53

Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.