den archivaris

Welkom op mijn weblog

kleine geschiedenis van de Bevelanden

0 reacties

De oudste periode

 

Toen God de wereld schiep, heeft hij Zeeland vergeten. Daarom schiepen de Zeeuwen zichzelf een land om in te wonen, zo wil een oud verhaal. Maar dat is natuurlijk onzin. Al in de tijd van de Romeinen, zo aan het begin van de jaartelling, was er sprake van bewoning in Zeeland, en echt niet alleen in Aardenburg en omgeving. Domburg was er al, net als het Colijnsplaat van toen. Vandaar vertrokken kooplieden naar Engeland en lieten altaren bouwen voor Nehalennia, een vermoedelijk locale godin, om een goede overtocht af te smeken of te danken voor een behouden thuiskomst. En toen de Westerscheldetunnel werd gegraven, kwam er in de buurt van Ellewoutsdijk een complete boerderij uit die periode uit de grond tevoorschijn.

Vervolgens verdwijnt een paar eeuwen later bijna alles weer onder water. Mogelijk dat op Walcheren nog wat bewoning aanwezig bleef, maar met wat later Zuid- en Noord-Beveland zou worden was het even afgelopen. De noormannen moesten zich op hun rooftochten beperken tot de kuststrook, waar plaatsen als Burgh, Domburg, Middelburg, Souburg en Oostburg verdedigbare oorden waren. Op de Bevelanden hadden ze niets te zoeken. Zelfs niet in Kloetinge, waar die merkwaardige Bijganck nog in de laatste jaren van de vorige eeuw, als burg tegen de Noormannen werd aangezien. Maar dat was niet waar.

Want op de Bevelanden was de aarde woest en ledig. Tot op vandaag kunt u zich nog een beetje voor de geest halen, hoe het er hier in de negende, de tiende en de elfde eeuw aan toeging. Kreken in het landschap, die bij vloed onderliepen en bij eb droog kwamen te staan. Steeds werd slib aangevoerd, dat op natuurlijke wijze het land omhoog bracht. Dat maakte het voor schaapherders mogelijk om hun kudden in de zomermaanden te weiden op de schorren die ontstaan waren. Waren ze hoog genoeg dan was het doorgaans mogelijk om een grote put te graven waarin zoet water voor de beesten aanwezig was. Veel later noemde men die “hollestellen.” Bij inpolderingen verdwenen ze doorgaans, maar bij Rilland ligt er nog eentje naast de snelweg A58. Daarover later meer. Als u eens gaat kijken bij de schorren van Ellewoutsdijk of die van Waarde dan krijgt u een beeld van de Bevelanden pakweg anno 900.

We nemen aan dat in de tiende eeuw enkele woonkernen ontstonden, zoals Goes, dat in 976 voor het eerst in een oorkonde wordt genoemd en Yerseke, dat ook op een respectabele ouderdom kan bogen. En als we dan even naar Goes kijken, dat in dat jaar 976 Curtagosum werd genoemd, Latijns voor Korte Gos, een kreek, waaraan bewoning ontstond, dan weten we dat pas sinds 1970, toen C. Dekker een uitgebreide studie schreef over Zuid-Beveland. Voordien was die oorkonde uit 976 ook al bekend, maar toen waren er wetenschappers die van mening waren dat met Curtogosum Kortgene werd bedoeld, temeer omdat in die oorkonde ook nog gesproken werd over Suffera Suflitha, wat Zuider Zuidvliet zou betekenen, de huidige Zandkreek.

De geschiedenis van Zuid-Beveland is er een van overstromingen, van schorvorming, van kronkelige kreekjes tot complete rivieren, van ophogingen tot bewoonbaar land. Overstromingen genoeg. In ons verhaal komen ze met enige regelmaat langs. We beginnen met die van 1014, toen die gedeelten van het land die bewoonbaar waren, weer onder water kwamen staan. Vrijwel zeker moet er in de onmiddellijke omgeving van wat nu Goes is enige bewoning zijn blijven bestaan. Tot 1134 groeide het bewoonbaar land weer aan. Een enorme vloed in dat jaar overspoelde vrijwel alle gebied, maar daarna greep de mens in. Het kwam tot een vorm van offensieve bedijking, in gang gezet door de monniken van de St. Baaf te Gent. Zij legden een dijk aan ter bescherming van het achterliggend land vanaf Wemeldinge naar Kattendijke, Kloetinge, Goes, naar ’s Heer Hendrikskinderen en ’s-Heer Arendskerke. We kunnen ons enigszins een beeld vormen van het vroege Zuid-Beveland, dat aanvankelijk uit een paar eilanden bestond. Aan de noordwestzijde lag het eiland Wolphaartsdijk. De Schenge, een brede waterloop, scheidde dat eiland van Zuid-Beveland. Vanuit het huidige Sloe, kwam een brede stroom aanzetten, onderlangs ’s-Heer Arendskerke, langs het huidige Heinkenszand, onder langs Nisse naar ’s-Gravenpolder, waar de stroom in de huidige Westerschelde terechtkwam. Dat was de Zwake, nu nog bekend van de Zwaakse Weel. Een restant daarvan is nog zichtbaar in het landschap ten zuiden van ’s-Gravenpolder, naast het gemaal Maelstede. Hoedekenskerke en Baarland vormden met Oudelande ook een eiland, met de Zwake aan de noordkant daarvan. Borssele was eveneens een apart eiland.

 Stichting van dorpen

De hiervoor genoemde “inge”-namen duiden volgens de laatste wetenschappelijke inzichten op bewoning. Wemeldinge wil zeggen “een groep mensen onder leiding van een Winiwald.” Kloetinge: een groep mensen rond ene Chlodowig. Sabbinge: een groep mensen rond ene Sabbe. Nog niet zolang geleden ging men ervan uit dat “inge”namen te maken hadden met waterlopen. Deze dorpen zijn wat ouder dan die welke op “kerke” eindigen. In het algemeen gesproken zijn dorpen met “inge”namen misschien nog in de tiende eeuw tot stand gekomen. Om zich enigszins tegen het water te beschermen, wierpen ze vluchtheuvels op.  De “kerkedorpen” stammen meestal uit de elfde en twaalfde eeuw. Meestal waren het adellijke personen die hun naam gaven aan de dorpen. Zij hadden er een kasteel, lieten een kerk bouwen op een kruispunt van wegen en zo ontstond er vanzelf bewoning. Ook hier dus meestal een persoon van (boeren)adel die een groep mensen om zich heen had, maar die in tegenstelling tot de “inge”-adel in een versterkt huis woonde, dat vaak op zo’n vliedberg werd gebouwd. Wat er eerder was, de vliedberg, waarheen de inwoners bij erg hoog water naartoe vluchten, of de kasteelberg? We zullen het nooit weten. Vliedbergen zijn er nog genoeg en vaak op plaatsen waar je dat niet verwacht, zoals de berg tussen ’s-Gravenpolder en ’s-Heer Abtskerke.

Een versterkt huis op een heuveltje. Dat was wel nodig. Want ook toen was het vaak onveilig langs ’s Heren wegen. Een uitdrukking overigens die niets met godsdienst te maken heeft. ’s Herenweg betekent niets anders dan de weg van de ambachtsheer, of: gewoner: openbare weg.

In die elfde en twaalfde eeuw was er al sprake van enkele belangrijke adellijke geslachten, zoals dat Van Schenge, genoemd naar de waterloop tussen het eiland Wolphaartsdijk en het eiland Zuid-Beveland.  De Van Schenge’s hadden het niet alleen voor het zeggen op Wolphaartsdijk, maar ook is hun naam verbonden aan Wissekerke, ’s-Heer Arendskerke en ‘s -Heer Hendrikskinderen. Algemeen gaat men ervan uit, dat heer Wisse de stichter is van Wissenkerke, heer Hendrik van ’s-Heer Hendrikskinderen en heer Arend van ’s-Heer Arendskerke. We moeten hier wat nuances aanbrengen. Het volksverhaal wil, dat heer Arend een dikke man was, want die werd Arend met de dikke buik genoemd. Men gaat er ook vanuit dat heer Hendrik de stichting van zijn dorp niet heeft voltooid. Van oorsprong werd het danook ’s Heer Hendriksinderenkerke genoemd. Van een kasteel op Wissekerke is niets bekend. De andere twee hadden er wel een. Dat van ’s-Heer Hendrikskinderen ligt ongeveer ter hoogte van Groenrijk. In ’s-Heer Arendskerke in de onmiddellijke omgeving van de Slotstraat, dicht bij de kern van het dorp.

Voor de stichting van Hoedekenskerke tekende ene Oidekijn. ’s-Heer Abtskerke heette oorspronkelijk Versvliet, een naam die verwant is aan de Lange en de Korte Vorst in Goes. Pas toen de abt van de Onze Lieve Vrouwe Abdij te Middelburg in het bezit kwam van goederen daar ter plaatse onderging de naam een wijziging. Dorpen die in een veel later stadium tot stand kwamen zijn er ook, zoals ’s Heerenhoek, dat van oorsprong Calishoek werd genoemd, dat armelijke buurt betekende. Kwadendamme had alles te maken met een dam door de Zwake, In oostelijk Zuid-Beveland bleven alleen Kruiningen en Yerseke vanuit oude tijden bestaan. De andere dorpen ontstonden na de stormvloeden van 1530 en 1532 waarbij een zeer groot deel van dat gebied onder water kwam te staan en dat nu ’t Verdronken land van Zuid-Beveland wordt genoemd. Die vloeden betekende uiteindelijk ook de ondergang van de toentertijd belangrijkste stad van Zuid-Beveland, Reimerswaal.

Opgaan, blinken en verzinken, dat is toch een beetje het motto van Zuid-Beveland. De zee gaf, de zee nam, maar de continue strijd tegen het water leidde uiteindelijk tot het eiland, zoals het nu is. Het verdronken land werd nooit meer ingepolderd, maar de streek tussen de Brabantse wal en Zuid-Beveland werd op het water heroverd. Toen ontstond bijvoorbeeld Rilland opnieuw. Aan de westijde van het eiland kwam het vanaf de zeventiende eeuw tot inpoldering van de Kraayertpolders. Het Sloe werd kleiner en kleiner. Als laatste kwam de Calandpolder in 1951 achter dijken. Op 1 februari 1953 inundeerde deze pas op het water veroverde polder, maar na enkele weken was ze weer droog. In 1809 polderde men een groot deel van de schorren ten noorden van Goes in en kwam de Wilhelminapolder tot stand. Het eiland Wolphaartsdijk kreeg toen een vaste verbinding met het toenmalige Zuid-Beveland. Westelijk van deze polder kwam het in de negentiende eeuw tot inpoldering van nieuwe polder, zoals de Perponcher en Schengepolders. In 1960 en 1961 legde men dammen aan in de Zandkreek en het Veerse Gat, dat het ontstaan van het Veerse Meer tot gevolg had, maar ook nieuwe landaanwinst aan de noordkant van het Sloe, want die dam lag er al in de tweede helft van de negentiende eeuw.

 Kastelen

Zuid-Beveland kende vroeger een overvloed aan kastelen, waarvan het ondoenlijk is om ze allemaal in dit korte bestek te noemen. Dat ging om weinig indrukwekkende “motte-kastelen” tot fiere burchten. Verreweg de meesten zijn in de loop der eeuwen verdwenen. Hier en daar zijn er nog resten in het landschap te herkennen, zoals de Berg van Troye in Borssele. Het kasteel van Baarsdorp is aan de zuidkant van de A58 ook nog landschappelijk herkenbaar. Het Hof Baarland bestaat in rudimentaire vorm nog en van de Hellenburg in Baarland zijn in de vorige eeuw de fundamenten blootgelegd. Dat moet echt een aanzienlijk kasteel zijn geweest. Van het oorspronkelijke Toorenburg in Goes, het latere slot Ostende is bovengronds nauwelijks iets bewaard gebleven. Voor het grootste deel is de vroegere slotzaal ondergronds.

Het kasteel van ’s-Heer Hendrikskinderen is begin negentiende eeuw gesloopt. Een kasteelachtig uiterlijk had het allang niet meer. Het was een kroeg. Het Hoge Huis in Oud-Sabbinge was verworden tot een in slechte staat verkerende boerderij, toen in de jaren zestig van de vorige eeuw een kasteelachtig bouwwerk op die plaats werd neergezet.

Kapelle kon vroeger bogen op maar liefst drie kastelen, Maelstede, Bruelis en Pouques. Maelstede was eigendom van de familie met dezelfde naam. Voor de Reformatie in de zestiende eeuw was dat een aanzienlijk adellijk geslacht, net als de familie Bruëlis, die het andere kasteel in Kapelle bezat. Pouques was van later datum. De resten van Maelstede bevinden zich voor een deel nog in de grond.

Kloetinge kende het Hof Ravenstein, waarvan de resten zich vermoedelijk onder het voetbalveld bevinden. Nisse heeft vrijwel zeker een kasteel gehad. Vinningen, vlak bij Hoedekenskerke kon bogen op een kasteel. Vermoedelijk waren de overblijfselen daarvan in de zeventiende eeuw nog te zien. Nu moeten we het nog met een veldnaam “den Berg” doen.   

 Buitenplaatsen

Zuid-Beveland is niet zo rijk geweest aan historische buitenplaatsen als bijvoorbeeld Walcheren. Heinkenszand springt er in vergelijking tot de rest van Zuid-Beveland een beetje boven uit, Al in de zestiende eeuw bouwde éen van de Van Schenge’s, ambachtsheer, zich een wat ruimere behuizing langs de Dorpsstraat dat de oorsprong zou worden van het Huis Watervliet, Toen de katholiek gebleven familie Van Schenge zo rond 1580 uitweek naar Vlaanderen was het de rijke Goesenaar Gillis Cornelisse Brouwer die de boel opkocht en op de resten van een ouder gebouw Watervliet liet zetten. In 1687 kwam de boedel in handen van Cornelis de Perponcher Sedlnitzky, die veel te vertellen had ondermeer in Wolphaartsdijk. Het onderkomen in Heinkenszand werd met enige regelmaat verbouwd en uitgebreid en in de zeventiende eeuw kwam het tot aanleg van prachtige tuinen, met prieeltjes en beeldhouwwerken. In 1733 kreeg de beroemde Franse architect Marot de opdracht om de tuin nog aanzienlijk te verfraaien. In die achttiende eeuw werd het complex niet meer permanent bewoond en na de dood van Arend de Perponcher kregen de erfgenamen ruzie over de eigendommen in Heinkenszand. Vanaf 1776 verhuurde men Watervliet en ruimde men de tuinen op. Toen de huurder in 1788 vertrok, kwam het tot verkoop van pand en gronden. Cornelis Teerlinck werd in 1791 de nieuwe eigenaar. Hij liet het huis afbreken en verkocht een deel van de grond aan de familie Van Citters, die er de jachtdependance ‘Jachtlust’ liet bouwen. De rest verkocht hij aan twee Heinkenszandse ingezetenen die op de grond aan de Dorpsstraat voor eigen rekening elk een huis bouwden. Nog tot in de 20e eeuw bleven de ondiepten van de gracht herkenbaar, totdat de gemeente er een vuilnisstortplaats van maakte. Waar vroeger de fraaie tuin gelegen was, staan nu woningen. In het bos achter Landlust is nog een vijver aanwezig die in vroeger tijd de parken van Watervliet opsierde.

De andere van oorsprong ridderhofstede die in Heinkenszand aanwezig was stond ook aan de Dorpsstraat maar veel dichter bij de hervormde kerk. Ze was eerst eigendom van van Joost van Schengen en stamde vermoedelijk al uit de vijftiende eeuw. Toen éen van zijn nazaten eind zestiende eeuw was uitgeweken naar Vlaanderen, huurde Jacob Valcke uit Goes het hof Barbestein, zoals het heette. Net als bij het Huis Watervliet was ook hier “opgaan, blinken en verzinken” van toepassing. De ene na de andere verkoop leidde tenslotte tot sloop. In 1805 werd de katholieke parochie eigenaar van Barbestein en verbouwde dat tot kerk. In 1866 kwam er een nieuwe kerk, naast de oude die men inrichtte tot pastorie.

In de negentiende eeuw wilden vermogende Zuid-Bevelanders nog wel eens een villa bouwen, bij voorkeur in buurgemeenten, die een milder belastingklimaat kenden dan de eigen gemeente. Zo weken in de periode 1880 – 1940 nogal wat Goesenaars uit naar het nabijgelegen Kloetinge. Het was geen probleem om vlak bij de binnenstad te blijven. De grens tussen Goes en Kloetinge lag daar vroeger vlak tegen aan. Zo was de huidige Patijnweg tot in de jaren dertig van de vorige eeuw Kloetings grondgebied.  De familie Lenshoek bouwde een riant onderkomen, ‘Villa Nova’, in Wolphaartsdijk. Heel veel van die villa’s hebben de tand des tijds niet overleefd. Verreweg de meeste zijn al gesloopt.

 Boerderijen

Van de onderkomens van boeren, burgers en buitenlui moeten we ons als we spreken over de middeleeuwen geen al te grote voorstellingen maken. Het zullen in hoofdzaak houten onderkomens met rieten daken zijn geweest, misschien met leem of klei afgedekt. Meestal was er een flinke brand nodig om bestuurders en inwoners ervan te overtuigen dat het bouwen in steen verre de voorkeur verdiende. In 1554 brandde Goes voor een deel af en toen werd het mogelijk om zelfs subsidie te krijgen wanneer men een stenen huis bouwde. Ondanks het gemis van waterleiding, verwarming en verlichting bleek dat veel behaaglijker te zijn dan een houten en zo kwamen stenen huizen in zicht van de gewone burger. Rijke mensen konden zich die al veel eerder permitteren dan de arme inwoners.

Boeren behoorden in de dorpen tot de bovenlaag van de samenleving, waren rijk en dus in staat om stenen woonhuizen bij hun schuren te laten bouwen. Zuid-Beveland kent nu een verrassend groot aantal boerderijen met de monumentenstatus.

Toch was het niet alles goud wat er blonk. Er zijn boerderijen in onze tijd verdwenen, zoals het Hof De Jonge Bogaard tussen Kapelle en Wemeldinge of Middenhof in Wolphaartsdijk. Het voorhuis van deze laatste boerderij dateerde volgens de muurankers uit 1675. In 1975 deed men onderzoek, waarbij men tot de conclusie kwam dat het complex sinds de oorspronkelijke bouw al veel veranderingen had ondergaan. De schuur verkeerde toen in slechte staat en stortte nadien tijdens een storm in. Het door een particulier bewoonde woonhuis, waarin nog een oud raam herinnert aan de bloei van weleer is alles wat er rest. Middenhof is geen hofstede meer. Een ingrijpende verbouwing, zoals Landlust in Nieuwdorp kwam ook voor. Het boerenbedrijf aldaar werd in 1967 beëindigd. De voormalige hoeve, het is nu een partycentrum, heeft een enorme schuur van 54 meter lengte met een schilddak. Het rieten dak overwelft drie paar mendeuren en het wagenhuis. Grote groepen mensen kunnen worden ontvangen in ruimten met het oorspronkelijke balkenwerk. In 1994 bouwde men nog een ” wagenhuis” aan de stalzijde, een ruim bouwsel met enkele traditionele stijlkenmerken, zoals gepotdekselde planken,

Het is jammer dat vandaag de dag niet altijd even zorgvuldig met dit cultureel erfgoed wordt omgesprongen. Maar ook hier geldt, mede uit oogpunt van bedrijfsvoering, al het oude gaat voorbij.  

 Ordening en dagelijks leven in de maatschappij

Door de eeuwen heen vestigden zich mensen op Zuid-Beveland die daar bleven, woonden en werkten in de dorpen en de twee steden die het eiland sinds 1405 telde. Ruwweg gezegd: een bovenlaag, die geld had, een middenlaag die het iets beter had dan de onderste laag van de samenleving, de paupers. Tot de bovenste laag van de samenleving rekende men de ambachtsheren en de grote boeren. In de tweede laag komen we de ambachtslui en winkeliers tegen en in de derde laag de arbeiders, vrijwel rechtenloos.  Zo is het lang gebleven, tot in de twintigste eeuw. Vooral op de dorpen was sprake van een echte standenmaatschappij. De laagste stand, de landarbeiders,  had het zwaar. In de zomer aan ’t werk bij de grote boeren met lange dagen en weinig loon. In de winter aan de kant geschoven om de bijstandsuitkering uit de hand van diezelfde boeren te ontvangen, want die maakten de dienst uit op hun land, in de kerk en in het dorpsbestuur. Een wrang voorbeeld komt uit Oudelande, waar begin twintigste eeuw de socialisten van Goes een bijeenkomst wilden houden in een lokaal van de openbare lagere school. Dat werd resoluut afgewezen. Voor de gewestelijke afdeling van de liberalen werd terzelfdertijd de deur wijd opengezet.

Eind negentiende eeuw begon het te gisten. We kennen begrippen als katholieke emancipatie en de beweging der kleine luiden van Kuijper. Maar ook de socialisten vooreerst onder leiding van Domela Nieuwenhuis begonnen zich te roeren. De laatste kwam ook naar Goes, waar het voltallige politiepersoneel – zo’n zeven agenten – paraat was. Tot opstand kwam het niet, want de knoet van de werkgever bleek nog sterk genoeg. Maar de landarbeiders begonnen zich te organiseren. Vele dorpen kregen een eigen afdeling van de Vereniging van Landarbeiders, die in Utrecht het hoofdkantoor had. Van de weeromstuit organiseerden de boeren zich ook in verenigingen van werkgevers, die gezamenlijk het uurloon van de arbeider bepaalden. Het spreekt vanzelf, dat dwarsliggers onder de arbeiders een zwaar leven hadden. Ontslagen bij de ene boer leidden niet tot een baan bij de andere. In de jaren twintig van de vorige eeuw kwam het tot stakingen, zoals in Kats, dat onder de arbeiders een hoge organisatiegraad kende. In Wolphaartsdijk kwam het bijna tot een opstand.

Dat begin van de twintigste eeuw kende veel meer ontwikkelingen op maatschappelijk gebied. Algemeen mannenkiesrecht kwam er in 1919, gevolgd door algemeen vrouwenkiesrecht in 1921. Er kwam financiële gelijkstelling tussen gewoon lager onderwijs en bijzonder lager onderwijs. In 1901 werd de Leerplichtwet van kracht. Het was niet meer mogelijk om kinderen zomaar thuis te houden, wanneer vader en moeder samen landarbeid moesten verrichten. Ook in 1901 werd de Woningwet van kracht, die een eind maakte aan het gerommel in de woningbouw. Bouw van woningen werd aan een vergunning gebonden en er kwamen voorschriften voor de grootte van woningen, de lichtinval en de waterleiding. Het pleetje buiten in de tuin verdween niet onmiddellijk, maar het duurde niet lang of de aanleg van riolering maakte het mogelijk om w.c.’s in te passen. De Gezondheidswet werd van kracht, die de gemeenten verplichtten gezondheidscommissies in het leven te roepen. Die commissies hielden zich bezig met de amovering van krotten, de drinkwatervoorziening, de riolering en de gezondheidstoestand van de bevolking. In 1935 werden ze wegbezuinigd. Hun  jaarverslagen maken veelvuldig verslag van schrijnende toestanden. Allemaal voorboden van een maatschappij die snel veranderde.

 Verkeer en vervoer

In vroeger tijden, toen het leven ogenschijnlijk nog kalm voortkabbelde, maakte men hier vooral gebruik van paard en wagen om goederen te vervoeren. De mens had  twee benen om ergens naar toe te gaan. Men kende ook zogenaamde schuitvaarten, waarvan de meeste tenslotte uitkwamen in Goes, de handelsplaats op Zuid-Beveland. Platboomde schuitjes waren het, die goederen vervoerden in de wat bredere sloten. Tussen de eilanden voeren vanzelfsprekend zeilscheepjes die als veerverbinding dienst deden. Dat waren de beurtschepen, die meestal een vaste route volgden tot in Rotterdam toe. Er was in de achttiende eeuw ook een postroute die van Middelburg, over Zuid-Beveland naar Yerseke ging, daar overstak naar Tholen en vervolgens naar Steenbergen.

In de negentiende eeuw ging dat langzaam veranderen. De uitvinding van de stoommachine was de aanleiding voor de aanleg van spoorwegen, waarover treinen niet alleen passagiers van de ene naar de andere plaats vervoerden, maar ook vracht.  Aan het eind van de negentiende eeuw kwam het tot de ontwikkeling van de fiets en van de auto. Beiden waren eerst een speeltje voor de rijken in de maatschappij. Vooral het gebruik van auto’s werd algauw door de overheid gereglementeerd. Er kwam een registratiesysteem, dat toestemming inhield om in Zeeland de wegen te mogen berijden. Eerst met de “Z” van Zeeland, naderhand met de letter “K.” Aanvankelijk reden de meeste auto’s in Zeeuws-Vlaanderen rond, gewoon omdat rijke Belgen daar grond aankochten en de akkers met de auto bezochten.

De trein reed over een vaste verbinding van A en B. Daaraan viel niet te tornen. Om de dorpen op te nemen in de vaart der volken kwamen er van meerdere kanten plannen om tramverbindingen aan te leggen op Zuid-Beveland. Dat varieerde van een lijn door de Zak tot verbindingen tussen Goes en Wolphaartsdijk en tussen Goes en Wemeldinge. Een lijntje van Hansweert naar Vlake maakte het mogelijk om Zeeuws-Vlamingen in Vlake de trein naar Brabant en Holland te laten nemen.

De meeste van die wilde plannen moesten het vooral hebben van overheidssubsidie die niet werd verleend. Een meer serieus plan, van Dr. Jenny Weijerman, dat gekoppeld werd aan de spoorwegen, kwam wel tot uitvoering in 1927, na een aanzienlijke vertraging door de Eerste Wereldoorlog. Toen was dat lijntje al gedoemd om onmiddellijk te mislukken. De stations in de Zak lagen ver van de dorpen, met uitzondering van Hoedekenskerke, waar het treintje tot aan de veerhaven reed en toen men met de exploitatie begon, reden er al bussen van de dorpen naar Goes en die stopten bij wijze van spreken voor de voordeur. Het personenvervoer werd al na enige jaren vrijwel opgeheven. Het bietenvervoer in het najaar bleef jarenlang in stand, totdat ook daar de grote vrachtwagens de goederenwagons verdrongen. We hebben er een mooie museumspoorweg aan over gehouden.

In de jaren twintig en dertig maakte men plannen om te komen tot regionale luchtlijnen. Een daartoe opgerichte vereniging maakte een plan voor de aanleg van een luchthaven in het huidige Goes-Zuid en vlak na de tweede wereldoorlog bekeek men nog eens of het mogelijk was om een vliegveld in de Wilhelminapolder aan te leggen.

Elders in de provincie legde men vliegvelden in Haamstede en Souburg aan voor de lijn van Schiphol naar Knokke. De tweede wereldoorlog maakte daar een einde aan.

In onze tijd staan busverbindingen tussen de dorpen en de steden onder druk vanwege het geringe gebruik dat ervan gemaakt wordt. De spoorlijn van Vlissingen naar Brabant is er nog steeds, maar met enige regelmaat zijn er plannen om stations op te heffen. Vrijwel iedereen is in het bezit van een auto.   

 De kerk

Voor 1578 was iedereen in onze gewesten katholiek. Niet alleen uit overtuiging maar ook omdat de ambachtsheren dat waren en ook toen al gold: wiens woord men spreekt, diens brood men eet. In de loop van de zestiende eeuw rommelde het op kerkelijk gebied, eerst onder impulsen van Luther en nadien onder die van Calvijn. De landsregering vaardigde plakkaten uit waarin was bepaald dat aanhangers van de nieuwe leer streng gestraft moesten worden. Iedereen leerde vroeger op school: 1525 – Jan de Bakker om zijn geloof verbrand. Ook in Zeeland kwam het tot de uitvoering van dergelijke straffen. In Goes liet Jan Grendel in 1563 het leven op de brandstapel.

Aanvankelijk liep het met de Reformatie op Zuid-Beveland zo’n vaart nog niet. Het was vooral op Walcheren, waar deze om zich heengreep. Dat eiland kende vele handelscontacten met andere landen en daar was men veel meer op de hoogte van de nieuwe ontwikkelingen dan op Zuid-Beveland, dat het vooral van de landbouw moest hebben.

Maar ook hier ondervond men de gevolgen van de Opstand. Geuzen brandden in 1572 onder meer Wolphaartsdijk en Kloetinge af. Ze sloegen toen tweemaal het beleg om Goes, dat zuchtte onder de bezetting van Spaanse troepen. In 1577 sloot de stad met het ambachtsheren van het omringende platteland een Satisfactie met de Prins van Oranje, waarin overigens bepaald werd, dat de katholieke eredienst onverkort gehandhaafd zou blijven. Dat was niet naar de zin van de groep gereformeerden die door impulsen van Walcherse predikanten was ontstaan en zo kwam het in 1578 tot een vernieling van katholieke eigendommen in de Grote Kerk van Goes. Een weifelend stadsbestuur liet tenslotte toe dat de gereformeerden de Grote Kerk in gebruik namen en dat de katholieken tot de schuilkerk werden verbannen.

Er bleef een substantieel deel van de bevolking katholiek. Begin zeventiende eeuw kregen ze al weer een pastoor. Op het platteland kwam ook een parochie tot stand. Inwoners van Ovezande, Heinkenszand, Kwadendamme en zelfs Kapelle zorgden voor een katholieke enclave op Zuid-Beveland. Nog in de tweede wereldoorlog koesterde men plannen om van die enclave een burgerlijke gemeente te maken.

Twee geloofsrichtingen, die tot in de negentiende eeuw naast elkaar leefden, werkten en hun godsdienst beleden, maar de katholieken bleven de onderliggende partij. Doorgaans leefde men in vrede. Werden de katholieken wat te brutaal, dan lieten de predikanten niet na om het stadsbestuur en de dorpsbesturen te wijzen op de wantoestanden die er waren en eisten op grond van de bestaande wetgeving strenge maatregelen tegen de papen. De burgerlijke bestuurders dienden doorgaans de soep wat minder heet op.

Begin negentiende eeuw mochten de katholieken vrijelijk hun missen vieren. Dat had de bouw van nieuwe kerken tot gevolg, zoals in Goes en ’s-Heerenhoek. Tot het eind van de achttiende eeuw was dat laatste een volslagen protestants dorp. De vestiging van enkele grote katholieke boeren, die geen protestantse arbeiders in dienst namen, maakte van ’s-Heerenhoek in de negentiende eeuw een katholiek dorp. Feitelijk nam de Katholieke emancipatie begin negentiende eeuw al een aanvang om een hoogtepunt te vinden zo rond het begin van de twintigste.

Eind achttiende eeuw kwam uit Frankrijk de Verlichting binnen, die grote gevolgen had voor de godsdienstige beleving van de mensen. Vanaf de protestantse kansel verdween de rechtzinnigheid in de leer. Dat was niet naar de zin van de kerkleden die rechtzinnig waren gebleven en vanaf 1836 verlieten zij onder impulsen van de predikant Budding de hervormde kerk en stichtten christelijke afgescheiden gemeenten, die terugwilden naar de kerkelijke fundamenten, gelegd op de Synode van Dordrecht in 1618. Van de overheid mochten zij in de naamgeving de term “gereformeerd” niet gebruiken. Ze mochten aanvankelijk alleen maar kerkdiensten houden waarvoor de burgemeester toestemming had verleend en waarop niet meer dan twintig mensen aanwezig mochten zijn. Er ontstonden rellen en voorgangers die ondergronds kerkdiensten gingen houden werden zwaar beboet.

In 1841 bood de overheid de mogelijkheid om zich officieel te laten erkennen, waarmee de rust op het gebied van de openbare orde terug keerde, maar niet binnen die afgescheidenen kring zelf. Het werd een komen en gaan van gemeenten die samengingen en zich weer afscheidden. Er waren gemeenten die voor erkenning kozen en andere die “onder het kruis” gingen en geen koninklijke erkenning vroegen.

Toen in 1886 de beweging van de Doleantie om zich heengreep, ging die langs Zuid-Beveland heen, omdat daar alle rechtzinnigen al vanaf 1836 de Hervormde Kerk hadden verlaten. In 1892 ontstonden uit het samengang van Dolerenden en Christelijke Gereformeerden de Gereformeerde Kerken, die zich zo’n honderd jaar later weer verenigden met de Hervormde Kerken tot de Protestantse Kerk in Nederland.

In 1907 was het dominee Kersten die het overgrote deel van de bevindelijke gereformeerden bijeenbracht in het verband van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika en zo mede verantwoordelijk was voor het ontstaan van wat nu de Biblebelt genoemd wordt. Op Zuid-Beveland kennen we enkele kleine gemeenten, zoals in Nisse, Nieuwdorp en Wolphaartsdijk. De grote zijn aanwezig in Goes, ’s-Gravenpolder, Kapelle, Kruiningen, Yerseke en Krabbendijke. Via Rilland steekt de Zuid-Bevelandse Biblebelt dan over naar Tholen.       

Een tegenbeweging is in de loop van de twintigste eeuw ook ontstaan. Alle kerken, of ze nu protestants zijn of katholiek, hebben te maken met kerkverlating. Het aantal niet kerkelijk gebonden inwoners neemt nog ieder jaar toe.

 Bezigheden van de Bevelanders

Zuid-Beveland was een landbouwgewest bij uitstek. Is het eigenlijk nog wel, maar dan in een vorm, die de vroegere inwoners zich in hun stoutste verbazing niet hadden kunnen voorstellen.

Tot in de zestiende eeuw was de zout-industrie zeer belangrijk. Karel V verbood op zeker moment het darink delven, het afgraven van zouthoudend veen, dat in zoutketen werd geraffineerd, met behulp van grote vuren. Goes was éen van de belangrijkste producenten en het behoeft geen verwondering te wekken dat de stadsbrand van 1554 begon in éen van de buiten de toenmalige binnenstad gelegen zoutketen. Toen men geen veen meer mocht afgraven, haalde men baaizout uit Frankrijk ter verdere raffinage.

Tot ver in de negentiende eeuw was verbouw van meekrap uitermate winstgevend. In meestoven bewerkte men de wortels van deze driejarige plant tot rode verfstof. Heel veel dorpen beschikten over een eigen meestoof. In Nieuwdorp kan men deze nog bewonderen. Die van Wilhelminadorp zijn er ook nog, maar hebben een geheel andere functie gekregen.

Daarnaast verbouwde men vanzelfspreken de bekende landbouwgewassen, zoals granen, waaraan in de negentiende eeuw de aardappel- en suikerbietenteelt werd toegevoegd. Heel veel landarbeiders waren daarvoor nodig, zoveel, dat men in de zomermaanden een beroep moest doen op arbeiders uit bijvoorbeeld Brabant. De landbouw was de kurk waarop de economie dreef.  Goes was het handelscentrum in landbouwproducten. Koop- en verkoop vond plaats op de wekelijkse dinsdagmarkt.

De fruitteelt mag men ook niet onderschatten. Wie een zeventiende eeuwse plattegrond van Goes bekijkt, bemerkt dat de stad omgeven is door boomgaarden. Overal in de Zak komt men die vandaag tegen, maar het zijn vooral Kapelle en Wemeldinge, die vandaag de dag, met Krabbendijke, de toon zetten waar het de kweek van appels en peren betreft.

Industrialisatie zette zich in onze contreien maar aarzelend in. Goes kende eind negentiende eeuw een houtverwerkingsfabriek en een hoedenfabriekje. Daarmee hield het wel op. Pas na de tweede wereldoorlog zou de industrialisatie op gang komen en dan met name in het Sloegebied. In Goes bevinden zich enkele grote bedrijven, met een meer landelijke uitstraling zoals Schelde International en de Bisonkit. Aparte vermelding verdient Yerseke, waar aan het eind van de negentiende eeuw de oester- en mosselteelt een hoge vlucht zou nemen. Klondike aan de Oosterschelde was de bijnaam van het dorp. ‘’s-Gravenpolder, Kapelle en Kruiningen hebben industriële verwerking van landbouwproducten, zoals uien, binnen hun gemeentegrenzen.

De steeds verdergaande mechanisatie van de landbouw, die eind negentiende eeuw begon, heeft het beroep van “landarbeider” van de kaart geveegd. Doorgaans zijn het de boeren zelf die nu de akkers bewerken, dan wel loonbedrijven, die met machinerieën langs komen. En de landarbeider? Van Colijnsplaat is bekend, dat die ging werken in fabrieken in Brabant of in de haven van Rotterdam.   

 Dagelijks leven in de dorpen en de stad

Men zou kunnen stellen: in vergelijking tot de dag van vandaag zorgde men vroeger goed voor elkaar. Dat is wellicht een wat boude veronderstelling, want ook vroeger vonden er diefstallen plaats, vermoordde men elkaar en roddelde men over de ander, kortom beging men alle zonden, die ook vandaag nog worden gedaan.

En wat die goede oude tijd betreft? Het was hard werken en armoe leiden voor de meesten. Kindersterfte was normaal. Alles wat zwak was, ging dood. Nog in de negentiende eeuw kwamen epidemieën als cholera voor. Algemeen neemt men aan dat de Engelse soldaten, die in 1809 zeer tijdelijk Zeeland bezetten, als ratten stierven aan wat de Zeeuwse koorts werd genoemd, een vorm van malaria.

Maar er was ook een andere kant. Misschien door de nood gedwongen, maar men zorgde doorgaans goed voor elkaar, waarbij overigens het standsverschil gehandhaafd bleef. Nog tot in de twintigste eeuw behoefde in de dorpen de achterdeur ‘s nachts niet slot. De jeugd kon onbeperkt buiten spelen, want de moeders hielden elkaars kinderen in de gaten en zoveel fietsen en auto’s waren er nog niet. De bakker en de melkboer gingen met hun producten langs de deur, net als de olieboer en de postbode en leverden hun aandeel in de sociale controle. Het was gewoon niet mogelijk dat er, zoals nu in de steden gebeurt,  mensen dagenlang dood achter hun deur liggen. Maar na de tweede wereldoorlog zouden op snelle wijze maatschappelijke veranderingen plaatsvinden, die heel Zeeland op de schop zouden gooien.

 Twee oorlogen

Voorboden van grote maatschappelijke veranderingen kondigden zich in de negentiende eeuw al aan. De industriële revolutie noemen we dat. In Zeeland, dat vooral een landbouwprovincie was, kwamen de stoommachine en de grote fabriek in een later stadium dan elders in het land.

Nieuwe vervoermiddelen, zoals auto en fiets, waren voorshands voor de rijken onder de bevolking. Het was de Eerste Wereldoorlog, die niet alleen innovatie op het gebied van oorlogstuig te zien gaf, maar die ook de stoot gaf tot bijvoorbeeld de burgerluchtvaart nadien.

In Zeeland had men weet van de zware gevechten op het Belgische platteland. Niet alleen kon men het geschut horen, maar bovendien kreeg men in de eerste maanden van de oorlog te maken met de opvang van Belgische vluchtelingen, waarvan de meesten echter na enkele maanden weer terugkeerden. Mijnen spoelden op de zeedijken aan en per vergissing werden Zeeuwse steden als Sluis, Zierikzee en Goes door vliegtuigen gebombardeerd. Zeeuws-Vlaanderen was van Belgie gescheiden door de ‘draad’, waarop stroom stond,

Gastvrij ving men de Belgen op, die na de val van Antwerpen, begin oktober 1914 in groten getale de wijk namen naar Nederland. Ze werden ondergebracht bij particulieren, in boerenschuren, in schoolgebouwen en desgewenst in kerken. Elk dorp, elke gemeente had zijn eigen comité. Voor de burgerbevolking kwamen enkele jaren van distributie van vrijwel alle elementaire levensbehoeften. In alle dorpen was een gebrek aan landarbeiders, omdat een groot aantal van hen onder de wapenen was geroepen en elders de dienstplicht vervulde. De Bevelanders zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt toen de oorlogvoerenden in november 1918 een wapenstilstand sloten. Herinneringen aan de Grote Oorlog, zoals de wereldoorlog in Belgie en Engeland wordt genoemd, zijn hoofdzakelijk in de archieven van de gemeenten te vinden. In onze streken geen monumenten voor de soldaten die in de strijd gevallen zijn, zoals in Duitsland en Frankrijk. In de Yerseke Moer moet nog een bunkertje staan uit die tijd.

Tussen de twee wereldoorlogen was het vanaf 1929 crisis. Grote aantallen werklozen, die dagelijks moesten stempelen, bevolkten de straten van en naar het stempellokaal. Maar weinig mensen hadden in de gaten dat er in Duitsland voorbereidingen werden getroffen voor een oorlog die het Duitse volk ‘’ Lebensraum’’ moest verschaffen. Veel te laat besefte men in ons land, dat we hier wel eens in die oorlog konden worden betrokken en dat onze neutraliteit, die in de eerste wereldoorlog niet werd aangetast, niets waard zou blijken te zijn. De geest van de natie was tegen oorlog en diegenen die dat duidelijk wilden maken, droegen een speldje in de vorm van een gebroken geweertje.

Toen de dreiging van een oorlog steeds groter werd, kwam het tot mobilisatie en net als in de periode 1914-1918 legde men verdedigingswerken aan en trachtte de landsregering de bewapening in snel tempo te moderniseren. Hier op Zuid-Beveland kwamen twee stellingen, een bij de Kreekrakdam en de ander bij het Kanaal door Zuid-Beveland. Het zou allemaal niet helpen. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen en in een tijdsbestek van vijf dagen was het pleit beslecht, mede door het bombardement op Rotterdam en de dreiging van de Duitsers om meer steden te bombarderen. Zeeland vocht door vanwege de aanwezigheid van een deel van het Franse leger, maar tegen de modern uitgeruste Duitsers konden ook de Fransen niet op. Het kwam tot felle gevechten bij het Kanaal, in Kapelle en bij de Sloedam. Het bombardement van Middelburg betekende het eind van de strijd. Hier en daar, zoals in Yerseke en Schore waren vele huizen vernield. De burgers van die plaatsen waren zoveel mogelijk geëvacueerd geweest en liepen aanvankelijk verloren rond wanneer hun huis was vernield. Anderen, zoals de inwoners van Lewedorp, die gevlucht waren toen de Duitsers aankwamen, moesten tot de conclusie komen, dat er ontzettend veel gestolen was toen de soldaten doortrokken naar de Sloedam.

De burgerbevolking moest er in de komende jaren het beste van zien te maken. Ook nu weer distributie van goederen en levensmiddelen. Maar ook: de dwingende hand van de bezetter, die bepaalde dat jonge mensen naar Duitsland moesten om daar te gaan werken. Het bieden van verzet betekende de kans op concentratiekamp en dood. Waakzaam moest men zijn ten opzichte van de mede-ingezetenen die gekozen hadden voor de NSB en daardoor impliciet voor de bezettende macht. De dwang om in de avonduren binnen te moeten zitten. Men mocht niet meer gaan of staan, waarheen men wou. Een knechting die de Bevelander niet gewend was en hem deed uitzien naar het eind van de oorlog. Dat kwam in oktober 1944, toen de geallieerden van twee kanten op Zuid-Beveland kwamen. Vanuit het oosten bij Rilland, na hevige en langdurige gevechten op de Brabantse oever en na een landing bij Baarland, vanuit oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. De strijd op Zuid-Beveland stelde op zich niet zoveel voor al moeten we daarbij zeker niet voorbijgaan aan het leed aan burgers toegebracht. Zo waren Hoedekenskerke en Ellewoutsdijk zwaar beschoten vanaf de overkant, maar de echte strijd kwam pas op de Sloedam waar de Canadezen grote verliezen leden. Vanuit Nieuwdorp gelukte het de Schotten om met een gids door het Sloe bij Nieuwland te landen. Op 29 oktober 1944 was Zuid-Beveland bevrijd.

 Een Ramp

Eeuwenlang voeren de Zeeuwen al strijd tegen het water en toen eb en vloed in de Oosterschelde nog vrij spel hadden, kwam het overstromingsgevaar niet louter en alleen van de Westerschelde. In elke eeuw kwam er wel een overstromingsramp voor en in de twintigste zelf twee. We merkten al op dat het landverlies in de zestiende eeuw zeer groot was, mede overigens door menselijk falen. Adriaan van Lodijke vond het toen, in 1530, wel een goed idee om na de Allerheiligenvloed, door uitschuring van een stroomgat een mooie diepe haven te verkrijgen, maar het eindresultaat was dat een groot deel van oostelijk Zuid-Beveland nooit meer boven water kwam. De eerste overstroming in de twintigste eeuw vond plaats in 1906 en beperkte zich in hoofdzaak tot oostelijk Zuid-Beveland. Na die overstroming deed men aan dijkverhoging door middel van de plaatsing van Muraltmuurtjes, want het was inmiddels duidelijk dat de dijken meestal veel te laag waren. De plaatsing van die muurtjes was in die tijd even revolutionair als het Deltaplan in onze dagen.

Maar het zou niet helpen. De crisisjaren en de oorlog verhinderden een grootschalige aanpak van de dijksverbetering. Bovendien was het beheer door polders en waterschappen versnipperd. Enkele malen, zoals in augustus 1944, bofte men. Het water sloeg wel over de dijken, maar tot doorbaken kwam het niet. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 braken de dijken wel. Vrijwel geheel oostelijk Zuid-Beveland kwam onder water te staan, met uitzondering van Krabbendijke en Yerseke. Maar Rilland, Bath, Kruiningen, Waarde en Oostdijk werden een prooi van de golven. Op overig Zuid-Beveland viel het mee. Aan de zuidkant kwamen Ellewoutsdijk en Oudelande onder water te staan. Op het noordwestelijk deel verdween het voormalige eiland Wolphaartsdijk in de golven. Ter hoogte van Kattendijke lukte het om de dijk te behouden. Wanneer die zou zijn doorgebroken, dan had het water tot Goes gestaan. Niet alleen op Zuid-Beveland maakte het water slachtoffers. Schouwen-Duiveland en Tholen verdwenen vrijwel geheel onder water, net als Goeree-Overflakkee en delen van Voorne-Putten, de Hoeksche Waard en delen van westelijk Noord-Brabant.

Veel mensen verdronken. De schade was enorm. Opnieuw werden mensen van huis en haard verdreven. Men nam de wederopbouw op voortvarende wijze ter hand en de landsregering kwam met het Deltaplan. In Zeeland was de aanleg van de Zandkreekdam en de Veerse Gatdam, in 1960 en 1961 gereed, de eerste grote verandering. Aan de Westerschelde bracht men alle dijken op Deltahoogte. De afsluiting van de Oosterschelde met een stormvloedkering in 1986 betekende niet alleen veiligheid achter de dijken, maar markeerde tevens grote veranderingen in de maatschappij.

 Veranderingen na de Tweede Wereldoorlog

De jaren vijftig van de vorige eeuw stonden vooral in het teken van de wederopbouw, ook in Zeeland. Ze markeerden tevens een enorme verbetering in het economisch gebeuren, die in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig onverminderd doorging. Dat had grote maatschappelijke gevolgen. Het provinciebestuur kwam aan het eind/begin jaren zeventig met grote plannen voor een ver doorgevoerde industrialisering van Zeeland, die wat Zuid-Beveland aangaat, zich concentreerde op het Sloegebied en op het Verdronken Land van Zuid-Beveland, dat geheel ingepolderd moest worden en waarop zware industrie was gepland. Alle kleine gemeenten zouden worden opgeheven en moesten opgaan in grote verbanden, waarbij voor Goes gedacht werd aan een gemeente van 100.000 inwoners. Wat er met de oester- en mosselteelt van Yerse moest gaan gebeuren, was niet helemaal duidelijk. De laatste polder van het Sloe stamde uit 1950. Al dat landbouwgebied moest geschikt worden gemaakt voor de vestiging van industrie en de aanleg van havens.

De gewone Zuid-Bevelander woonde in 1970 nog wel in zijn dorp, maar de naam van de gemeente was gewijzigd. Er vond een herindeling van gemeenten plaats, waarbij op het voormalige eiland nog slechts vier gemeenten zouden zijn, nl. Goes, Borsele, Kapelle en Reimerswaal.

Goes omvatte de noordwestkant, inclusief Kloetinge, Kattendijke, Wolphaartsdijk en het grootste deel van ‘’s-Heer Arendskerke. Borsele omvatte alle dorpen in de Zak van Zuid-Beveland. Kapelle kreeg Wemeldinge erbij en Reimerswaal bestond uit de voormalige gemeenten Rilland-Bath, Yerseke, Krabbendijke en Kruiningen.

De inwoners konden aan het werk in het Sloegebied, waar een groot aantal industrieën zo vanaf het eind van de jaren zestig gebruik maakten van de aangelegde havens, aan de rand van de Noordzee. Op grondgebied van Borsele kwam een kerncentrale in gebruik, die de gigantgebruiker Peychiné van stroom voorzag bij de productie van aluminium.

De energiecrisis van 1973/1974 gooide enig roet in het eten. Energieprijzen stegen sterk en maakten producten duurder, waardoor de afname verminderde. Rond 1980 bereikte men het dieptepunt. Door een keiharde, landelijke sanering, raakte Nederland er weer bovenop en werd het Sloegebied verder uitgebreid.

Dat leverde zo nu en dan problemen op door maatschappelijke onrust. De exploitant  van de havens in het Sloegebied wilde de containercapaciteit aanzienlijk uitbreiden, waarbij het unieke natuurgebied De Kaloot, dat door de aanleg van industriehavens toch aanzienlijk was verkleind, aan de economie zou worden opgeofferd. Felle protesten en een nieuwe economische teruggang in de eerste decade van de 21e eeuw, deden Zealand Seaports daar voorlopig van afzien. Evenmin was iedereen gelukkig met het toenemend vervoer van industriegoed per spoor, tot en met afgewerkte isotopen van de kerncentrale toe.

 Een blik in de 21e eeuw

Maatschappelijk is er de laatste zestig jaar veel veranderd op Zuid-Beveland. Het draaide allemaal om schaalvergroting, maar dat had voor de dorpen een nog steeds doorgaande leegloop tot gevolg. Kernen als Bath, Schore en Ellewoutsdijk verloren vele middenstanders en hun basisschooltjes. Kinderen lopen er nauwelijks rond. Maar ook in een levensvatbaar dorp als Wolphaartsdijk is het aantal winkels op de vingers van twee handen te tellen.

En de roep naar een verdergaande schaalvergroting gaat door. Op Rijksniveau zijn plannen tot samenvoeging van provincies en een nieuwe herindeling van gemeenten, omdat dat die, met een inwonertal van minder dan 100.000 inwoners niet meer in staat zouden zijn om de snelle vooral digitale ontwikkelingen in de maatschappij vorm te geven. 

In de jaren tachtig begon men met het gebruik van computers, aanvankelijk op kantoor, later, toen de personal computer zijn intrede deed, ook thuis. Het ontstaan van het internet in de jaren negentig betekende het begin van een nieuwe maatschappelijke verandering, waarvan het eind nog niet te overzien is. Sociale media doen de mensen op een totaal andere manier met elkaar communiceren dan vroeger het geval was. Een bezoek aan een bank om de broodnodige pecunia op te halen aan een loket heeft geen zin meer. Pinnen aan de automaat met een pasje heeft hetzelfde resultaat en gaat sneller. Telecommunicatie verloopt via de mobiele telefoon, die veel meer mogelijkheden heeft dan alleen het voeren van een gesprek met de ander, omdat deze apparatuur ook geschikt is voor internet en de sociale media.

De overheid heeft mede onder invloed van Europa alles gezet op bedrijfsvoering die concurrentie eist. Waren gas- en elektriciteitsbedrijven, openbaar vervoer eerst in handen van de overheid, thans behoren ze tot de vrije markt en moeten met elkaar concurreren, omdat dat zou leiden tot lagere prijzen.

Waar dat allemaal toe leidt? Niemand weet het. Voorlopig worden de contouren zichtbaar van een sterk verkleinde witte boordenmaatschappij. Bankemploye’s en ambtenaren. Ze behoren straks tot een sterk uitgedunde groep. Wat blijft, is het mooie Zuid-Bevelandse landschap, waarin de natuur zijn onverstoorbare gang blijft gaan.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.