den archivaris

Welkom op mijn weblog

Doppsgezind in Goes

0 reacties

Vroeger in de jaren vijftig van de vorige eeuw leerden we nog op school: 31 oktober 1517 slaat zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel in Wittemberg. In veel plaatsen werd Hervormingsdag nog gevierd met een speciale kerkdienst – door de protestanten natuurlijk. Wilde je van enige geleerdheid gewag maken, dan sprak je van de 95 thesen van Luther. De zoon van de gerefomeerde predikant van Oost-Souburg verbasterde dat tot: 95 prothesen. Geen wonder, want zijn vader werd het “knetterend Evangelie” genoemd en dat had te maken met het rondbrengen van Gods Woord en de zielzorg per brommer.

Calvinistisch Goes en Zuid-Beveland zouden zich een beetje moeten matigen. Zij kwamen pas laat aan de bak. De Reformatie vond een bescheiden hoogtepunt in september 1578 toen zij een beeldenstorm in de Grote Kerk aanrichtten, niet nadat de Goese gilden geen stroobreed in de weg werd gelegd bij het weghalen van hun katholieke eigendommen uit de kerk. En het was vooral onder druk van de Walcherse Calvijnaanhangers, die daar al in een georganiseerd kerkverband leefden, dat een weifelend stadsbestuur overstag ging. We tekenen daarbij aan, dat grote groepen van de bevolking op Zuid-Beveland voorlopig nog gewoon katholiek bleven en in de jaren nadien dan sluipenderwijs protestants werden.

In de periode die daaraan vooraf ging, en dan spreken we over de periode 1553-1570, waren het vooral de wederdopers, die aanhangers waren van een nieuwe leer en dientengevolge zwaar vervolgd werden, ook in Goes.

Toen in 1934 de nieuw gebouwde kerk van de Doopsgezinde Gemeente aan de Westwal in gebruik werd genomen, was dat voor chroniceur A.M. Wessels reden om een geschriftje uit te geven via de Oudheidkundige Vereniging De Bevelanden, waarin hij geheel in de geest van die tijd schreef: Het bloed dat op de Groote Markt stroomde heeft niet tevergeefs gevloeid. Duidelijk is ook hier dat het bloed der martelaren het zaad der kerk werd. Daarom past het allen Goesschen protestanten thans even stil te staan bij de geschiedenis der Doopsgezinde Gemeente, die zoo innig met de historie van onze stad is samengeweven. Prachtige, ietwat snoevende taal, die vraagt om die nodige nuancering.

De hervormingsbeweging van de wederdopers bracht de gevestigde orde al vrij vlot na 1517 in beroering. Zo ontstond onder de impulsen van Zwingli een zuiver religieuze beweging, die de kinderdoop verwierp. Het ging om de volwassenendoop, na het afleggen van een geloofsbelijdenis. De verkondiging van van de spoedige komst van het 1000jarig rijk na de wederkomst van Christus op aarde had een grote aantrekkingskracht op de paupers in de stedelijke samenleving. Vooral in de jaren dertig van de zestiende eeuw kende de beweging een sociaal-revolutionair karakter.

Vestiging van het Nieuw Jeruzalem in Munster en een poging om de macht in Amsterdam over te nemen leidden tot een golf  van arrestaties en strenge vonnissen, want Karel V en na hem Philips II wensten vooral rust in hun gewesten aan de Noordzee. Het revolutionaire verdween uit de doperse beweging en het vreedzame karakter, voorgestaan door de gewezen priester van Witmarsum, Menno Simons kreeg de overhand. Hij preekte gehoorzaamheid aan de overheid, maar overheidsbetrekkingen wees hij af, net als het dragen van wapens. De naam wederdopers verdween uit de boeken. Men sprak voortaan van mennonieten.

Maar dan zijn we de tijd van vervolging door de burgerlijke overheid al voorbij. Juist in de jaren vijftig van de zestiende eeuw, toen overigens ook het calvinisme zich in delen van Zeeland volop liet gelden, zoals Walcheren, dat veel meer vensters op de wereld had dan Zuid-Beveland, waren het op Zuid-Beveland vooral de mennonieten die zich niet schaamden voor het Evangelie en alles ondernamen om dat uit te dragen.

Het eerste ketterproces voor de Goese rechtbank vond plaats in 1553 en was gericht tegen Rutger Steeck, geboren te Keulen, maar opgegroeid in Wezel. Hij was waarschijnlijk rond een jaar of twintig oud en schoenlapper van beroep. Loslippigheid over het vieren van de mis, waarbij hij smalend sprak over de pastoor die de hostie tot zich nam, leidde tot verraad en tot arrestatie door de baljuw. Hij verdween in de Goese gevangenis, hier in de stadhuistoren. Op 23 juni van dat jaar kwam hij voor de vierschaar. Het schepencollege vond het moeilijk om tot een beslissing te komen en besloot het Hof van Holland om advies te vragen. Zoiets duurde in die tijd nogal. Er moesten brieven geschreven worden, die dan door een stadsbode in Den Haag moesten worden gebracht. De man moest dan wachten totdat het Hof een advies zou hebben geconcipieerd, waarna hij dat advies naar Goes moest brengen. Rutger Steeck besloot op die uitkomst niet te wachten en wist, overigens samen met andere misdadigers uit de stadhuisgevangenis te ontsnappen. 

In dit geval kunnen we dus niet spreken van het bloed der martelaren. Wie wel in Goes op de brandstapel kwam, was Jan Janszoon Grendel, afkomstig van Kortrijk. Hij werd op 9 februari 1562 in Goes gevangen genomen. De baljuw verdacht hem van ketterij en van wederdoperij. Iemand tegen wie de plakkaten van de overheid gestreng moesten worden toegepast. Althans, dat was de mening van de baljuw. Op 15 februari kwam hij voor de eerste keer voor de schepenrechtbank, waar hij bekende wederdoper te zijn, maar dat waren meteen zijn laatste woorden. Op alle andere vragen gaf hij geen antwoord. Op 1 maart moest hij in Middelburg verschijnen voor de bisschop van Middelburg, maar ook daar volhardde hij in stilzwijgen. Intussen zat de baljuw niet stil. Het was bekend, dat Jan geruime tijd in Kapelle, Biezelinge en Kloetinge had verkeerd en hij verzamelde op die plaatsen de nodige informatie. We kunnen de vraag stellen: was dat voldoende. Vermoedelijk niet, want tijdens de tweede rechtszitting op 24 april vroeg de baljuw toestemming tot “scherper examen”, wat in gewoon Zeeuws betekende dat Jan op de pijnbank zou worden gelegd. Op 5 mei kwam Jan op die plank en de tortuur vond plaats met behulp van kaarsen, want die worden in de rekening verantwoord. Daar bezweek onze Jan en legde bekentenissen af, die dan in de verslagen van de rechtszitting werden genoemd als afgelegd “buijten banden van pijn en ijser”. Dat was een gebruikelijke formulering, maar natuurlijk niet waar.

Het zou 15 januari 1563 worden voordat er weer wat gebeurde en dat had allemaal niets met Jan te maken, maar met twisten tussen baljuw Gerard van Uijtwijck en het stadsbestuur. Gerard werd in november 1562 ontslagen en kreeg in de persoon van Floris Schaeck een opvolger. Op de vraag of hij bij zijn bekentenissen zou blijven, kreeg de rechtbank als antwoord: segghende dat hij (Jan) gesproocken heeft dat blijft gesproocken”. Hierna eiste de baljuw de doodstraf door middel van vuur. Dat was een straf die door de plakkaten was voorgschreven. Op 30 januari 1563 deed de rechtbank uitspraak. Die was conform de eis. Een dag later, op zondag 31 januari 1563 liet Jan het leven op het schavot voor het stadhuis. De resten werden op het galgeveld, aan de Oosterschans, begraven.

Dan wordt het stil wegens het ontbreken van bronnenmateriaal. Ze hebben misschien in dezelfde periode als de calvisten een huisgemeente hebben gevormd, maar waar de laatsten de Grote Kerk in gebruik namen, gaven de mennonieten er blijk van in stilheid hun weg te gaan. Overigens zijn de doopsgezinden zelf ook schuldig aan die oorverdovende stilte, want in de zeventiende eeuw schreven ze in het toen in gebruik zijnde notulenboek op, dat het oudere exemplaar was vernietigd “omdat het zaken in zich begreep die nu voor den kerkelijke vrede ten hoogsten nadelig gekeurt is geworden.”
In 1581 deden aan het stadsbestuur het verzoek, geheel in de geest van Menno Simons, om verschoond te mogen blijven van het wachtlopen, dat tenslotte met wapens gepaard ging. In de korte notulen wordt verwezen naar de beslissing van het stadsbestuur in het officiële notulenboek, maar daar schieten wij niets mee op, want dat is er niet meer. In 1584 vroegen de doopsgezinden officieel om uit de schutterijen ontslagen te mogen worden. Dat mocht, maar ging hen geld kosten. Het stadsbestuur nam te dien einde het kerkenhuis over en maakte dat geschikt als schoollokaal. Maar het is duidelijk: er was een doopsgezinde gemeente en die bezat een kerkgebouwtje. Waar dat gestaan heeft is dan weer niet duidelijk.   

Toch moet die beslissing aanleiding hebben gegeven tot onvrede. In 1596 besloot het stadsbestuur daarom het wachtlopen helemaal opnieuw te regelen. Alle mennonieten behoefden na 23 juli geen wacht meer te lopen. Alle Goesenaars, ouder dan 60 jaar en dat waren er maar weinig, konden ’s nachts ook in bed blijven liggen. Oud-burgemeesters werden eveneens vrijgesteld van deze verplichting. Een week eerder besloten burgemeesters en schepenen om alle kapiteins van de schutterijen uit het stadsbestuur te recruteren. De mindere officieren, zoals luitenants en sergeants, kwamen uit de burgerij.

In de jaren twintig en dertig van de zeventiende eeuw speelde er een interessant verschil van mening tussen de predikanten van de Grote Kerk en burgemeesters en schepenen. De predikanten eisten dat alle huwelijken gesloten zouden worden door de dominee’s, in de Grote Kerk, maar daar waren niet alle katholieken en mennonieten gelukkig mee. Vanzelfsprekend vonden de predikanten dat alle christelijke huwelijken voor hen zouden worden gesloten. Het ware geloof werd in de Grote Kerk verkondigd en misschien werden de doopsgezinden wat vriendelijker bejegend dan die verderfelijke katholieken, maar het aangaan van een christelijk huwelijk moest plaatsvinden in de Grote Kerk. Hoe groot de katholieke parochie was en hoeveel leden de doopsgezinde gemeente telden, weten we niet, maar dat het om een substantieel deel van de Goese bevolking ging, is duidelijk aan de hand van de weinige bronnen die we hebben. Er is een publicatie die melding maakt van meer dan 200 doopsgezinden in het zeventiende eeuwse Goes, maar of dat cijfer klopt, kan alleen aan de hand van degelijk bronnenonderzoek worden bewezen. Hoe het ook zij, zowel katholieken als doopsgezinden voelden natuurlijk niets voor huwelijkssluiting voor een dominee. De katholieken losten dit aanvankelijk op door een priester in vermomming de huwelijkssluiting te laten bijwonen. Hoe de doopsgezinden dat deden, weten we niet. Het stadsbestuur, veel liberaler dan de predikanten, boden in 1635 de mogelijkheid om huwelijken voor het stadsbestuur te laten sluiten. In 1723 kregen de mennonieten toestemming om in hun eigen kerkgebouw een christelijk huwelijk aan te gaan.

In het archief van de gemeente, dat bewaard wordt in het Zeeuws Archief zijn wel enkele gegevens over het aantal leden aanwezig uit de tweede helft van de zeventiende eeuw en uit de achttiende eeuw. Toen het stadsbestuur in 1660 toestemming gaf om het kerkje aan de Korte Vorst te vergroten met de aankoop van het huisje naast de kerk, heeft het aantal leden misschien die 200 bedragen, die ik zo-even noemde. Sterker nog, de ambtenaar die het archiefje van de doopsgezinde gemeente inventariseerde, Abraham Mulder, noemt voor 1684 een aantal van 242 leden, in 1721 nog 47 en in 1796 slechts drie. Een onthutsende teruggang waarvoor we vooralsnog geen verklaring hebben.

Dat was in het begin van de zeventiende eeuw geheel anders. Toen moesten de Hervormde kerkenraden met enige regelmaat de boer op om te voorkomen dat lidmaten overhelden tot een terugkeer naar katholieken of doopsgezinden. Dat worden we onder meer gewaar uit de notulen van de kerkenraad van Borssele, dat in 1616 was gesticht door het Goese stadsbestuur en dat in 1619 al een predikant bezat. Pieter Janssen Steenkiste moest in dat jaar ernstig berispt worden door de dominee, omdat hij zich, als oud-ouderling notabene, zich “ongestadich “gedroeg, zoals de predikant in de notulen schreef. Hij dreigde af te drijven naar de doopsgezinde, danwel de katholieke religie. Hij moest in de vergadering van de kerkenraad verschijnen en kreeg daar vanonder uit de zak. Hij kon het als oud-ambtsdrager natuurlijk niet maken om af te drijven. Als boetvaardigde zondaar keerde hij terug van zijn zondige wandel en deed schuldbekentenis. Toen hij dat gedaan had, was de kerkenraad graag bereid om hem alle hulp en bijstand aan te bieden.

Sinds 1796 was het echter de dood in de pot voor de doopsgezinden in Goes, net als voor de Lutheranen, die in de tweede helft van de achttiende eeuw een huisgemeente in Goes hadden en die ook zagen wegkwijnen. Met die Lutheranen is het nooit meer wat geworden maar in de negentiende eeuw herleefde de doopsgezinde gemeente in de Ganzestad. De fondsen van de kerk bleven gedurende die eeuw in beheer en van tijd tot tijd kwam er een predikbeurt van predikanten uit  Ouddorp, Middelburg en Vlissingen. In 1868 werd de preekdienst verzorgd door de Middelburgse gemeente. In 1883 was er sprake van een kerkenraad in Goes. In 1889 kwam het tot een formele wederopstandig van de gemeente.

Het kerkgebouwtje aan de Lange en Korte Vorst was toen allang in handen, eerst van de Israëlitische bijkerk en nadien in handen van particulieren, waaronder in de 20e eeuw de familie Pik. De doopsgezinden kregen aan de Westwal een nieuw onderkomen.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.