den archivaris

Welkom op mijn weblog

er komen weer verkiezingen

0 reacties
In 2014 is de keus weer aan u. Er worden dan gemeenteraadsverkiezingen gehouden. De politieke partijen lopen al weer bijna warm en het wordt allemaal echt anders dan vroeger. Van regeringswege stelde men enkele jaren geleden de commissie Elzinga in, die moest onderzoeken waarom zo velen van u het laten afweten, wanneer er nieuwe raadsleden moeten worden gekozen. De commissie moest tevens met aanbevelingen komen om de politiek te verlevendigen en dichter bij de burger te brengen. Het is niet meer zo, dat uit de raadsleden de wethouders worden gekozen. Wethouders worden benoemd en hoeven geen lid van de raad te zijn. De gemeentesecretaris is niet meer automatisch secretaris van de raad. Er is  een griffier. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn eigen plaats tegenover de gemeenteraad. Dualisme is het toverwoord. In politieke terminologie streeft men naar een doeltreffende, transparante en responsieve gemeente. Waarom dat nu niet in gewoon Nederlands kan worden geschreven, is een raadsel. Maar is het allemaal wel zo nieuw? In 1468 kreeg Goes een belangrijk privilege. Karel de Stoute bepaalde, dat Goes voortaan haar eigen stadsbestuur mocht kiezen. Aan het hoofd ervan stond de baljuw, te vergelijken met de huidige burgemeester. Deze functionaris werd door de landsheer benoemd. Er waren ook twee burgemeesters, te vergelijken met de thans in functie zijnde wethouders en negen schepenen. Het ene jaar trad één burgemeester en vier schepenen af, het andere jaar trad één burgemeester en vijf schepenen af. De gewone burgers hadden geen stemrecht. De aftredende burgemeester maakte met de twee stadsrentmeesters en twee notabele burgers uit de rijkdom, die geen lid waren van het stadsbestuur, een voordracht op van twintig belangrijke poorters, die moesten kunnen lezen en schrijven. Op 24 juni, St Jan Baptistendag, kozen de zitting houdende bestuurders uit die voordracht hun nieuwe collega´s.  Het was nog geen democratie, zoals wij die nu kennen, maar toch mogen we er trots op zijn. Geen enkele Zeeuwse stad had toen de mogelijkheid om het eigen bestuur te kiezen. Een vorm van referendum, dat kroonjuweel van D´66 had Goes in de vijftiende eeuw ook al. Moest het stadsbestuur belangrijke beslissingen nemen, zoals de bouw van het stadhuis, dan kregen vertegenwoordigers uit de burgerij, doorgaans leden van de gilden, een uitnodiging om in vergadering bijeen te komen en daarover hun zegje te doen. Tot een stedelijke raad ontwikkelde zich dat niet.Die raad kwam er definitief in 1720. In de zeventiende eeuw was het een paar maal tot heftige twisten in het stadsbestuur gekomen. Volgens de burgemeesters en de schepenen had de baljuw al te vaak een te grote mond, wat aanleiding gaf tot weinig verheffende ruzies. De Staten van Zeeland besloten op 6 juni 1720 een reglement vast te stellen, waarin een raad in het leven werd geroepen, die uit 21 personen zou bestaan. De leden hadden in principe zitting voor het leven. De twee burgemeesters maakten onderdeel uit van de raad. De schepenen hielden zich vanaf toen nog slechts bezig met de rechtsspraak en bemoeiden zich niet met het inhoudelijke stadsbestuur, een vorm van dualisme derhalve.

De raad benoemde zelf nieuwe leden, nadat de benoeming van de eerste leden nog had plaatsgevonden door de Staten van Zeeland.Als je lid van de raad wilde worden, dan moest je uit de vooraanstaande burgerij komen, minstens drie jaar poorter van de stad zijn of een jaar getrouwd wezen met een echte Goese vrouw. Je moest lid zijn van één van de Goese schutterijen, minstens twintig jaar oud en lidmaat van de Hervormde Kerk. In dat jaar 1720 vond er dus een scheiding plaats in het Goese tussen bestuur en rechtsspraak. Daarmee had Goes een voor die tijd ultramoderne bestuursvorm. In de Republiek was men toentertijd, midden in het tweede stadhouderloze tijdperk en op centraal niveau niet gehinderd door orangistische machten, bezig met een bestuurshervorming. De bepalingen uit de Unie van Utrecht werden in de Staten-Generaal als een keurslijf ervaren, maar juist de stedelijke besturen, waar de herinnering aan Oranje bepaald niet verbleekt was, verhinderden een staatkundige vernieuwing. Toen in 1747 Willem IV als stadhouder aantrad, betekende dat meteen het eind van de vernieuwingsplannen en ook in Goes werd de klok enigszins teruggedraaid. De raad mocht niet zelf meer nieuwe leden benoemen. Dat gebeurde voortaan door Willem IV, uit een door het stadsbestuur opgemaakt voordracht van twintig personen. Het spreekt vanzelf, dat de Orangistische factie in de raad dat met welgevallen aanzag. Republikeinen kregen zo geen enkele kans. Gezien door onze bril zouden wij spreken van kliekjes en hokjesgeest. Het was ook zo, dat de gewone man in het politieke leven van toen niets te vertellen had. Door middel van contracten van correspondentie hield de bovenlaag van de Goese samenleving in stadsbestuur en kerk de touwtjes stevig in handen. Toch houdt het bestuur van toen ons een spiegel voor, al is het maar het besef dat democratie een kostbaar goed  is, dat door de samenleving en bestuurders gekoesterd moet worden. Is het dualisme van vandaag iets wezenlijk nieuws. Welnee, ook vroeger was het er al, zij het in een andere vorm. Pogingen om de hedendaagse burger nauwer bij zijn plaatselijk bestuur te betrekken. verdienen echter de steun van iedereen.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.