den archivaris

Welkom op mijn weblog

auto verovert zeeland

0 reacties
Wat moet dat begin 1900 toch heerlijk rustig zijn geweest in Zeeland. Paard en wagen maakten de dienst uit en hier en daar kwam men een enkele fietser tegen. In Midden-Zeeland reed de trein, maar niet echt in een half-uurdienst zoals vandaag. Van het wegennet moeten we ons niet te veel voorstellen. Een enkele steenweg, vele grintwegen en nog meer karrensporen, zoals we die nu nog wel eens tegenkomen op een welhaast vergeten polderdijkje. Eind 1899 verleenden Gedeputeerde Staten van Zeeland aan F.C.O.M. Hombach uit Hulst, tevens lid van dat college, vergunning voor het berijden van wegen in de provincie met een motorrijtuig, dat het kenteken Z 1 kreeg toebedeeld. Daar was het gemeentebestuur van het Bevelandse Kapelle niet echt gelukkig mee. Aan het eind van de vergadering van 11 april 1900, toen er al 7 vergunningen waren verleend, vroeg het raadslid Pompe van Meerdervoort, tevens kantonrechter in Goes, het woord. Hij kon niet met de verlening van de vergunningen instemmen. Vele wegen in Zeeland waren minder dan zeven meter breed en dan was het berijden van zo´n weg met een gemotoriseerd voertuig een hachelijke onderneming. Hij stelde voor om GS van de bezwaren  op de hoogte te stellen. De raad stemde ermee in en zo ging de volgende brief naar Middelburg. De raad der gemeente Kapelle/ van oordeel zijnde dat door de eigenaardige beweegkracht der motorrijtuigen door deze meerdere schade aan de wegen en vooral de grintwegen wordt toegebracht/ overtuigd dat er gegronde vrees bestaat voor ongelukken en schade, wanneer dergelijke motorrijtuigen daar niet aan dergelijke voertuigen gewende paarden tegenkomen vooral op smallere wegen/ besluit te verzoeken aan Gedeputeerde Staten van Zeeland de vergunningen verleend om motorrijtuigen te rijden voor wat betreft de wegen in onderhoud bij de gemeente Kapelle in te trekken en wanneer dit niet doenlijk is dan in elk geval te verbieden dat met motorrijtuigen gereden wordt op wegen in deze gemeente van mindere breedte dan zeven meters.Gedeputeerde Staten deelden bij brief van 16 juni 1900 mee geen termen aanwezig te achten om aan het verzoek te voldoen. En waar maakte Pompe van Meerdervoort zich nu eigenlijk druk om? De vergunningen werden onder strenge voorwaarden verleend. De snelheid van de auto´s mocht niet meer zijn dan 20 km per uur. Bij het afrijden van hellingen, nabij en in bochten van wegen, bij het kruisen van wegen en in de bebouwde kom mocht de automobilist van toen niet harder rijden van 8 km per uur. En wanneer een paard en wagen of een kudde koeien op de weg was, dan moest er gestopt worden, zodra de bestuurder bemerkte dat de beesten onrustig werden. De meeste vergunningen voor het berijden van de Zeeuwse dreven werden in de eerste jaren van de twintigste eeuw voornamelijk verleend aan de chique van België en dat was geen wonder. De meeste landouwen in Zeeuws-Vlaanderen waren in bezit van Belgische grootgrondbezitters die niet meer met het gerij hun bezit wilden inspecteren maar met de automobiel. In Midden-Zeeland kreeg de Vlissinger G. Spindler op 2 mei 1900 vergunning voor het rijden met een Mors-dogcart auto van 900 kilo en met 8 paardenkrachten. Tien dagen later mocht de Goesenaar J.A. Mulock Houwer met een Dion et Bouton op weg onder het nummer Z8. Dit autootje had een gewicht van 75 kilo en een motor van 1,25 paardenkracht.Het provinciaal bestuur gaf 25 vergunningen af in 1900, waarvan er 22 terecht kwamen bij Belgen en Zeeuws-Vlamingen. Twee werden afgegeven in Midden-Zeeland en 1 ervan werd verleend aan een inwoner van Bergen op Zoom. Op een enkele uitzondering na waren het doorgaans zware vehikels van rond de 1000 kilo.

Eind 1902 was het al heel wat drukker geworden toen vergunning Z216 werd uitgegeven. In 1905 bemoeide de ANWB zich, niet voor het eerst,  met het verkeer. Het snoeien van doornheggen moest aan banden worden gelegd ter voorkoming van lekke banden bij fiets- en autoverkeer. Maar al te vaak reden de bestuurders lek door de doorns die op de weg bleven liggen, wat een wat andere invulling betekende van het hedendaags begrip ´autootje pesten.`  In 1907 deed de Vereniging van Burgemeesters en Secretarissen op Zuid- en Noord-Beveland een verzoek aan provinciale staten om maatregelen te nemen tegen zwaar beladen auto´s, die vooral in het najaar de wegen aldaar finaal kapotreden. Nu attenderen we de weggebruiker op de aanwezigheid van slik op de weg.  Er is sinds 1900 wel heel veel veranderd.

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.