den archivaris

Welkom op mijn weblog

Goese weeskinderen molesteren bejaarden

0 reacties
't Is één van de mooiste plekjes van Goes. Serene rust en de inti­miteit van een goedige oude bebouwing, voor een deel nog uit de vijftiende eeuw, doen weldadig aan. Een aantal tentoon­gestelde gedenk­stenen en een bronzen klok vertellen een stukje Goese ge­schiedenis. 's Zomers zorgt een oude kas­tanje voor een zonne­dak en als de beiaardier een concert geeft, dan buitelen de klokken­klan­ken over je heen. Ander binnen­stadsla­waai dringt er niet door. Dat jachti­ge, laag bij de grond­se ­gedoe wordt tegen­gehouden door de bebouwing die je zorgzaam omringt. Dan gaat als van­zelf het verleden voor je leven. Je hoort de gezangen van de Zwarte Zusters, die hier woonden. Want van oorsprong was het hier een klooster met een kapel. En wanneer dat zingen ver­stomt, komen de weeskinde­ren van Goes er aan. Ook zij woonden hier, eeuwen­lang, onder de hoede van een vader en moeder, die hun ouders niet waren. We bevin­den ons op het pleintje achter het museum­gebouw aan de Singel­straat, waar eens de weeskinde­ren speel­den.Het is deze maand exact driehonderdnegenenzestig jaar geleden, dat het complex aan de Singelstraat gedeeltelijk als weeshuis in gebruik is genomen. Niet echt een jubileum, maar voldoende reden om er even bij stil te staan. Op 9 en 10 januari 1628 vonden twee­nvijftig wezen een plaats in de tot weeshuis verbouwde kloostergebouwen. De zwarte zusters waren al vijftig jaar daarvoor met stille trom uit Goes ver­trokken. De rector van de Latijnse school had er nadien ge­woond en het rederijkersgezelschap "De Nardusblomme" had er de religie vervangen door frivool ver­maak. Al in 1609 was het stadsbestuur van Goes tot de conclusie gekomen dat het afgelopen moest zijn met de besteding van de weeskinderen. Jaar­lijks werden ze ondergebracht bij surrogaat­ouders, die van de Armmeesters een bedrag ontvingen voor voeding, ligging en kleding. Eénmaal het bedrag ontvangen hebbend, betoonden de meesten zich inderdaad surrogaat van het slechtste soort en lieten de aan hun zorg toevertrouwde kinde­ren vrijwel aan hun lot over. Er moest, zo vonden burgemees­ters en schepenen een weeshuis komen, maar net in die periode ging het economisch slecht met Goes. Bovendien verlamden grote twisten binnen de kring van de vroede vaderen het bestuur van de Ganzestad, waar­door het weeshuisplan op de lange baan geschoven werd. Men zou een spaarpot aanleggen, want bouw, inrichting en exploitatie van een weeshuis waren een kostbare zaak. Eerst in 1627 werd de kwestie weer actueel en toen be­trachtte men meer voortvarend­heid.Het stadsbestuur liet het oog vallen op het kloostercomplex. De rector van de Latijnse school en de rederijkers kregen vervangende huis­vesting, waarna de bouwvakkers aan de gang konden. Vooraf had het stadsbestuur de kosten becijferd op zo'n fl. 3100,--. Achteraf bedroegen ze fl. 5000,--, maar dat had toen nog geen politieke gevolgen. Ook het huisvesten van weeskinderen bleek in de praktijk veel duurder dan men gedacht had. En dan waren nog niet eens alle wezen in het weeshuis opgenomen. In 1628 werden nog zeker elf wezen uitbesteed. Slechts kinderen wier ouders poorters van Goes waren geweest, vonden een plaats. Ze moesten bovendien ouder dan drie jaar zijn. Zwakbegaafde kinderen en beddenplassers mochten ook al niet opgenomen worden. Een oplossing voor de moeilijkheden vond men in het opne­men van bejaarden in het weeshuis. Deze lieden konden zich inko­pen. Tegen betaling van een paar honderd gulden waren ze verzekerd van hun natje en droogje tot hun dood toe. De toe­loop van bejaarden viel tegen. Die oplossing bracht geen soulaas en zo werd het prak­tijk dat iedereen zich kon huisves­ten in het weeshuis, zoals bijvoorbeeld Tannetje Rondvis in 1632. Zij was een uitermate wispeltu­rige nog niet zo oude ongetrouwde dame, die in 1640 zwanger bleek te zijn. Paniek in het college van regenten en regentes­sen dat als weeshuisbe­stuur fungeerde. Om geen opspraak te verwekken werd ze snel verwijderd. Dat heterogene gezelschap gaf in 1654 aanleiding tot een uitbarsting. Vooral de grotere weesjongens en -meisjes konden het niet verkroppen, dat de weesvader, Abraham de Vriese, zich nauwelijks om de wezen bekommerde en liever met de ouden van dagen een glaasje dronk, dan de wezen op te voeden in alle christelijke deugden en dat laatste was volgens zijn instruc­tie toch de bedoeling. Eén van de weesjongens kon zich niet meer beheersen toen een oude van dagen hem ten onrechte uit­schold. Hij gaf de oude een klap. Dat nam deze natuurlijk niet. Hij wilde terug slaan, maar de overige weesjongens spron­gen er bovenop. Weer andere ouden van dagen trachtten hun medebejaar­de te ontzetten. Een formele vechtpartij tussen woedende weesjongens en de bejaar­den was het gevolg. Wellicht jarenlange opgekropte frustratie vond een uitweg. De jon­gens zaten met behulpzame hand van de weesmeisjes, de bejaarden overal achterna, totdat de inderhaast opgetrom­melde regenten de boel kalmeerden. De weesjongen die het eerst een klap had uitge­deeld, had de straf die hem te wachten stond, niet afge­wacht. Hij was het weeshuis uitgerend en verdween met de noorderzon.Het regentencollege nam een verstandige beslissing. De wees­kinderen en de ouden van dagen werden gescheiden. In 1655 nam men het Oude mannen- en Vrouwenhuis in gebruik. Dat de klacht van de weeskinderen niet ongegrond was, valt af te leiden uit de benoeming van De Vriese tot vader van het bejaardentehuis.   Wanneer je het museumpleintje, dat nog lang niet alles heeft verteld, verlaat, dan kun je dertig meter verder in de Zuster­straat een bezoek brengen aan de Manhuistuin, ook zo'n heer­lijk plekje in de Goese binnenstad, dat weer heel andere verhalen vertelt. 

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.