den archivaris

Welkom op mijn weblog

dat mooie stadhuis van Goes

0 reacties

Het stadhuis van Goes aan de Grote Markt heeft een eeuwenlange geschiedenis achter de rug. Voor 1405, het jaar waarin Goes voor het eerst als stad wordt aangeduid, kon men beter spreken van “dorpshuis.”

Om een wat meer volledig geschiedkundig beeld van de bouw te krijgen, is het noodzakelijk om in de veertiende eeuw te duiken. In een rekening van de goederen van Jan de Beaumont, onder meer heer van Goes, wordt gesproken over het ophogen van de vloer van de (vlees)hal. De verhuur van 29 stallen, of tafels, komt daarin ook ter sprake. Deze hal, waarin nu het Lunchcafé is gevestigd was vermoedelijk een houten hal.

In de oudst bewaarde dorpsrekening van Goes uit het jaar 1384 wordt melding gemaakt van het bouwen van een nieuwe vierschaar. Dat is de ruimte waarin schout en schepenen recht spraken.

Vijf jaar later worden er werkzaamheden uitgevoerd aan de toren. Er komen een nieuwe trap naar de gevangenis, een nieuw portaal, twee vensters en een open schouw. De rechtertoren van het stadhuis, vanaf de Grote Markt gezien, is in feite de oudste kern van het stadhuis. Een verdedigbare toren – ook wel donjon genoemd – was in de roerige eeuw hard nodig. Goes was in die tijd nauwelijks verdedigbaar. Het recht om zich te omvesten en ommuren dateert pas van 1417 toen Jacoba van Beieren het privilege daartoe verleende. Toen werden muren, poorten en grachten rond de stad gemaakt.

In 1463 was er sprake van aanzienlijk nieuwbouw, die plaatsvond naast de toren. Waarschijnlijk is toen het gedeelte waar nadien de vierschaar van Goes en waar de stadsraad vergaderde, grotendeels verbouwd en deels opnieuw opgetrokken. In de toren vonden toen ook enkele verbouwingen plaats. Tijdens de restauratie van 1970-1974 zijn op de moerbalken van de hal van deze toren schilderingen ontdekt die zonder twijfel uit 1463 stammen. Het zijn afbeeldingen van de Bourgondische vuurslag en de vuurspattende karbonkel. Beide staan bekend als emblemen van de vorsten van het Bourgondische huis. Boven de deur van deze toren plaatste men toen een houten, goudbeschilderd beeltje, voorstellende Maximiliaan van Oostenrijk. Dit beeldje wordt thans in het Historische Museum De Bevelanden bewaard.

Op een afbeelding van het Stadhuis van voor de restauratie, die in de jaren 1771-1775 plaatsvond, is dit beeldje met enige moeite te zien. Deze unieke afbeelding geeft nog meer bijzonderheden. Links van de toren ziet men onder het afdak de Hoofdwacht. Daarboven zetelde de vierschaar en het stadsbestuur. Links daarvan werd in 1484 de Weeskamer gevestigd. Deze behuizing was waarschijnlijk al als particuliere woning aanwezig en werd bij het stadhuis getrokken. Het is echter ook mogelijk dat er ten behoeve van de Weeskamer een geheel nieuw stuk werd aangebouwd. In een later stadium werd hiertegen nog een huis gebouwd, dat tijdens de restauratie van 1771 tot toren werd verbouwd als tegenhanger van de grote, zware rechtertoren.

De kronieken vermelden dat er in 1665 brand heeft gewoed in het stadhuis, waarbij een deel van de toren uitbrandde.

In 1771 nam men een aanvang met de restauratie van het stadhuis, dat zowel binnen als buiten in Rococostijl werd aangepast. De verbouwing en aanpassing nam, onder leiding van stadsbouwmeester Boudewijn Kramer vier jaar in beslag. In 1974 kwam er een eind aan ruim zes jaar restauratie. De achttiende-eeuwse verbouwing is toen daarbij in tact gebleven. Het gebouw kreeg toen zijn oude luister terug.

 

Het meest in het oog springende gedeelte van het stadhuis is de trouwzaal, voorheen de Vierschaar. Deze kenmerkt zich door fraai gesneden deuren in rococostijl. Daarboven, alsmede boven de schoorsteen, de zogenaamde Witjes. Dit zijn schilderstukken, met daarop afgebeeld spelende putti. Ze dateren uit 1773 en zijn gemaakt door de Antwerpse schilder Martin Joseph Geeraerts.

Het stucplafond met allegorische voorstellingen is van Giuseppe Soldati. In het midden het zinnebeeld van de Eeuwigheid, uitgebeeld door het Alziend Oog met zijn verschietende stralen, omvat door een zich met kop en staart aaneen voegende slang. In de vier hoeken van het plafond de zinnebeelden der mensheid (wet en olijftak), gerechtigheid (weegschaal en zwaard), beloning (krans van olijftakken en lelie) en straf (roede, zweep en doorntak). Samengevat hebben deze allegorische beelden de volgende betekenis: het alziend oog weegt de daden der mensheid volgens gerechtigheid, beloont de goeden en bestraft de kwaden.

Het smeedijzeren hek (de zgn. vierschaar) is in 1773 gemaakt door Maesime Sumel. De stoelen dateren van 1771. Ze zijn in Rococostijl en speciaal vervaardigd voor dit vertrek.

In vroeger tijden oefenden burgemeesters en schepenen hier, tot 1810, de rechtspraak uit. Goes had de zogenaamde hoge jurisdictie, wat betekende, dat het college in strafzaken de doodstraf mocht uitspreken. De tenuitvoerlegging van straffen vond plaats op een schavot voor het stadhuis. Ter dood gebrachte misdadigers werden vervolgens opgehangen op het galgenveld, aan de oostzijde van de haven.

Zinnebeelden van de rechtspraak bevinden zich ook op de voorgevel van het stadhuis. Aan de linkerzijde van het stadswapen bevindt zich Vrouwe Prudentia, beeld van de voorzichtigheid. Aan de rechterzijde, met weegschaal, vrouwe Justitia, beeld voor de gerechtigheid. Er schijnt nog een derde vrouwenbeeld achter het stadswapen te zijn geweest. Maar dat is er niet meer. Dat was Vrouw Holle!

 

 

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.