den archivaris

Welkom op mijn weblog

Nieuwe tijden op Noord-Beveland

0 reacties
Aan het eind van de zeventiende eeuw raakte de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën wat in versukkeling. De illusie van grootheid en macht scheen in de achttiende eeuw nog steun te vinden in de beveiliging tegen Frankrijk, die na 1713 van Oostenrijk werd verkregen in de vorm van de barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Maar economisch streefden Engeland en Frankrijk de Republiek voorbij. In de internationale politiek moesten de lage landen aan de leiband van Engeland lopen. In cultureel opzicht zette Frankrijk de toon en ging de zeventiende eeuwse eigenheid verloren. In de binnenlandse politiek traden stagnatie en besluitenloosheid op. De Grote Vergadering van 1716 besprak weliswaar de hervormingsplannen van Slingelandt tot een soepeler beheersing van het unie-apparaat, maar besluiten werden niet genomen. Natuurlijk werden er ook successen geboekt. Amsterdam behield de mondiale geldmarkt en Java en Ceylon werden onderworpen. De politieke opleving, die in de loop van de tweede helft van de achttiende eeuw naar voren kwam, was wellicht nog het sterkste lichtpunt in de duisternis. In 1747 eindigde het Tweede Stadhouderloze tijdperk als gevolg van de inval van de Fransen. Wat Zeeland betrof: Staats Vlaanderen werd tijdelijk Frans grondgebied, de zuidelijke kustlijn van Zuid-Beveland en Walcheren werden  frontgebied. Ogenschijnlijk kwam de Oranjefactie als overwinnaar naar voren. Willem IV werd immers stadhouder. Aan de andere kant leidden de troebelen ook tot het ontstaan van wat later de Patriottistische beweging werd. De burgerij van de steden eisten democratische vrijheden, zoals in Amsterdam. Het nieuwe van deze beweging ging dan wel voor een deel verloren in de onhandigheid van formuleringen en de hoop op Oranje vervloog toen deze zich snel achter de brede ruggen van de regenten verborg. Toch waren de gevolgen, ondanks de weigering van de regenten om de massa tegemoet te komen, schokkend. Een nieuwe politieke beweging kwam op gang en richtte zich los van de stadhouder tegen de regenten. Een meer democratisch gezinde partij, de Patriottenbeweging, was geboren, die ideële kracht ontleende aan de uit Frankrijk en Engeland overgewaaide Verlichting. Nieuwe denkbeelden, zoals de volkssoevereiniteit, ontwikkeld door Capelle van de Poll en de trias politica werden gretig aanvaard. De toeloop was in de jaren zeventig niet gering. Ontevreden staatsgezinde regenten, mokkende Oranjeklanten uit de kleine burgerij en zich achtergesteld voelende katholieken en dissenters vulden de gelederen Toen de Republiek ook nog eens de Vierde Engelse oorlog (1780-1784) verloor, was de maat vol. Bij het verdrag van Fontainebleau in 1784 raakte men bovendien de barrièresteden kwijt. De maat was vol.. De stadhouderlijke regering kreeg de schuld en de patriotten eisten onder dreiging van gewapende genootschappen die ze hadden opgericht volksinvloed in de regering. Zij hadden voorlopig buiten de waard gerekend.

Het was zeker niet zo, dat alle Oranjeklanten alle hoop hadden moeten laten varen. Onder het gewone publiek had men nog aanhang genoeg, wat in het Zeeuwse en dan vooral op Walcheren op bijzondere wijze zou blijken. In 1773 was op bevel van de Staten-Generaal een nieuwe psalmberijming in gebruik genomen, waarop de Verlichting haar stempel had gezet. Daarmee was de berijming van Datheen, uit de zestiende eeuw, vervangen door een veel minder schriftuurlijke. De ´ouderwetse´ Calvinisten, vooral degenen die zich in conventikels oefenden in de persoonlijke bevinding van ellende en genade,  bliefden de nieuwe berijming niet te zingen, wat vooral in een aantal Walcherse dorpen tot ongeregeldheden tijdens de kerkdiensten aanleiding gaf. Op Zuid- en Noord-Beveland bleef het rustig. In Goes werd de nieuwe berijming in een plechtige kerkdienst, met zang en snarenspel, in gebruik genomen. Maar op Walcheren moest de overheid streng ingrijpen. De zwaarste straf was voor Isebrand Leinse Burggraaf, die in 1777 voor altijd uit Westkapelle werd verbannen. Burggraaf gold voor iedereen als een bekeerde, als een doorgeleid christen en als een kind van God. Velen keurden de straf af en enkele boeren uit de kring van de bevindelijken onder leiding van Cornelis de Korte namen het voor hem op. De Korte bewerkte de Staten van Zeeland en reed zelfs naar het Hof van Holland in ´s-Gravenhage en het scheen zijn ontwapenende vroomheid te zijn geweest, die leidde tot een terugkomst van de balling, die vijftien maanden had rondgezworven. Burggraaf werd als een koning binnengehaald en de enorme volksoploop, die in Middelburg ontstond en die de machthebbers bepaald niet welgezind was, verontrustte de regering van Zeeland. Enkele eskadrons dragonders kwamen in het geweer om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat mislukte geheel en het leidde tot de gevangenneming van Cornelis de Korte en Lourens Ingelse, de laatste met de bijnaam Oranjeboer, werden vijf maanden in het Gravensteen te Middelburg gevangen gehouden en hardhandig behandeld. Drie anderen werden gegeseld en verbannen. Bij de onlusten in 1787 betoonden De Korte en Ingelse zich ware volksleiders en hielpen de prinsgezinde regenten de patriotten de laan uit te sturen. Daarmee was de oorspronkelijk geestelijke kwestie van de psalmberijming in het politieke vlak getrokken. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat de vromen in 1795, toen de revolutie van de patriotten slaagde, zwaar moesten boeten. Cornelis de Korte moest het in 1798 met zijn leven bekopen. In Goes, waar in 1787 heftige rellen uitbraken, waren het vooral politieke motieven die een rol speelden. Al heel lang was er in de stad sprake van een bestuur, dat gedomineerd werd door slechts enkele geslachten, die elkaar via contracten van correspondentie de baantjes toeschoven. Zeer tegen de zin van een midden in de achttiende eeuw opgericht exercitiegenootschap, dat sterke patriottische trekjes vertoonde. Het genootschap kreeg al in 1785 een verbod tot exerceren. Toen al broeide en gistte het onder de bevolking, die in meerderheid Oranjegezind was. In de eerste week van januari 1787 werd het spannend in Goes. De stadsraad verbood op 4 januari het dragen van insignes, het roepen van leuzen en scheldwoorden. Niemand mocht gedwongen worden tot het roepen van de leus Oranje Boven, maar echt helpen deed het niet. Een oproep van de plaatselijke predikanten tot kalmte en verdraagzaamheid boekte aanvankelijk succes, maar het hardnekkige gerucht over de zogenaamde patriottische eed, dat de ronde deed, was er uiteindelijk de oorzaak van dat op 30 januari rellen uitbraken. Niet minder dan 58 woningen van patriotten werden door de prinsgezinden geplunderd.  Prinsgezinden en patriotten in Kortgene In Kortgene ging het ook mis. In de smalstad maakten zowel prinsgezinden als patriotten deel uit van het bestuur. Het geslacht van Nassau de Lek fungeerde in de achttiende eeuw als heer van Kortgene, maar dat raakte, woonachtig in Alkmaar, in de achttiende eeuw de greep op Kortgene kwijt. Willem Adriaan van Nassau bepaalde bij testament, dat zijn kinderen slechts het vruchtgebruik van de heerlijkheid mochten bezitten. Het beheer werd toevertrouwd aan administrateurs, die contact onderhielden met het Kortgeense bestuur. De meest op de voorgrond tredende waren Gerard Cornelis van Vladeracken (1767-1821) en Cornelis van Foreest (1756-1825). Zij waren, als de meeste Alkmaarse bestuurders, patriot en parachuteerden als het ware streekgenoten in het Kortgeense bestuur.Hun gesprekspartners uit Kortgene waren Dankert Amijs, de baljuw, die prinsgezind was en schout-secretaris Pieter Vader, die uit het in de omgeving van Alkmaar gelegen Schoorl afkomstig was. Op 15 juli 1787 zond Pieter Vader een verslag aan zijn Alkmaarse heren over de gebeurtenissen in Kortgene in de nacht van 6 op 7 juli.

De plundering, moedwil en ongebondenheid is in deze provincie tot een zoodanigen overmaat gesteigert, zo begon zijn brief, dat dezelve te menigvuldig en schrikkelijk zijn om die te verhalen. Hij beperkte zich in zijn brief tot de voorvallen in de nacht van 6 op 7 juli. Op de zesde juli ging er al een gerucht rond, dat Walchenaars naar Kortgene zouden komen om de patriottische stadsbestuurders te vermoorden en hun huizen te verwoesten. Burgemeester en schepenen verzochten daarom baljuw Amijs een vergadering van het stadsbestuur te willen beleggen tegen 6 uur die avond. Amijs kwam met het voorstel om van de toren de prinsenvlag te hijsen en iedereen, die dat wilde, toe te staan oranjeversierselen te dragen. Maar wat gebeurt er? Niet die uit het eiland Walcheren maar die van het nabuurig Wissenkerke kwamen des nagt omtrent 12 uuren met slaande trom en onder ijsselijk geschreeuw ten getale waarschijnlijk wel 400 man, alle met stokken en knuppels gewapent Cortgeen intrekken. Amijs riep snel het stadsbestuur weer in vergadering bijeen. Twee leden, die buiten Kortgene woonden, konden niet opgeroepen worden. De woedende meenigte stoof dan de kamer in, spraken egter bescheiden en zeyden dat zij door die uit Walcheren waren bedreigt, indien sij de Cortgeennaars tot geen prinslui maakten, dat sij souden overkomen en alles verwoesten; dat sij daarom best hadden geoordeeld om een plundering voor te komen ons te versoeken dat er vrijheid wierd gegeven tot het dragen van orange. De vergadering antwoordde dat die toestemming al verleend was. Daarmee waren de onruststokers tevreden gesteld. Op hun verzoek kregen ze een vat bier. Rond 1 uur ´s nachts kwam echter een nieuwe groep tierend en joelend binnen en eiste dat het bestuur een verklaring zou ondertekenen dat bierbrouwer Karman voor een termijn van zeven jaar het stuk land zou kunnen pachten, dat hem onlangs niet opnieuw was verpacht en dat Kortgene zich zou scharen onder prins Willem V. Vader trachtte de meute ervan te overtuigen dat het eerste niet mogelijk was omdat het land geen eigendom van de stad was en dat het herstellen van Willem V in zijn prinselijke waardigheden een zaak was van de Staten van Zeeland en dat Kortgene, als smalstad, daarin geen stem had. Dat was alles tevergeefs, het was bij de allerijsstelijkse vloeken: ´teekenen maar!´en niet redeneeren of wij sullen je alle de kop inslaan. Ik hervatte het nog andermaal om was ´t mogelijk de luiden van denkbeeld te veranderen, dat dit was niet als de woede vermeerderen en dewijl er van alle zijde wierd geroepen: ´sla dood´en de knuppels reeds tot dat eynde waren opgeheven, vatte iik het papier en seyde: ´dewijl de balljuw boven staat is ´t oorbaar en welvoeglijk dat die eerst teekent´. Dan deze seyde: ´neen, ik teeken niet´, waarop de woesten hoop aanstonds uitriep: ´neen, de balljuw moet niet teekenen, voort aanstonds of je zoo nog verder spreekt dan sal er niemant levendig ontkomen.´ Ik vatte de pen en onderschreev het verv(loekte) papier en terstond moesten burgemeesteren en scheepenen hetzelve doen. De chirurgijn en schepen Hofdijk moest alle mogelijke moeite doen om geen klappen te krijgen. Vader moest onmiddellijk een publicatie schrijven, waarin het toegestaan werd om oranjeversierselen te dragen. Rond vijf uur vertrokken de relschoppers zonder vernielingen te hebben aangericht. Ze gingen in de richting van Wissenkerke weg, waar ze bij drie woningen de ruiten ingooiden. Dat waren mensen, die eerst wel met de meute vanuit Wissenkerke naar Kortgene waren gegaan, doch halverwege waren teruggekeerd.

Er was overigens meer aan de hand in bestuurlijk Kortgene. In 1786 was de predikant Veldkamp met emeritaat gegaan. De beroepingsprocedure voor een nieuwe herder leidde tot conflicten. De ambachtsheer meende gerechtigd te zijn drie vertegenwoordigers aan te wijzen in het Collegium Qualificatum, waar de kerkenraad dat aantal tot twee wenste te beperken, om te voorkomen dat de ambachtsheer een te grote stem in het kapittel zou hebben. Op last van de Staten van Zeeland moest men drie leden uit de magistraat accepteren. Baljuw Amijs had op wens van de Alkmaarse heren voorgesteld ds. F. Grasstek van Warmenhuizen te beroepen, maar daar was Vader niet mee akkoord gegaan. Hij stemde met de anderen voor ds. C. van der Leeuw uit Zonnemaire. Deze afloop doet vreemd aan. Mogelijk zocht Vader het conflict met Amijs. De laatste beklaagde zich bij zijn Alkmaarse superieuren en gaf daarbij een geheel ander verslag van de ongeregeldheden van 6 en 7 juli. Vader had hem verplicht om de prinsenvlag op de toren te zetten en het dragen van oranje toe te staan! Vanuit Alkmaar kwam een reactie van ongenoegen. Op 16 november schreef hij nogmaals een lange brief om de kritiek op hem te ontzenuwen, maar hij begreep ook dat zijn rol was uitgespeeld en nam ontslag als baljuw. De ongeregeldheden die op de avond van 18 oktober hadden plaatsgevonden, hadden daarin ook een rol gespeeld. In 1795 trad de tijd van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap aan. Gelukkig leidde dat in het Noord-Bevelandse dorpje niet tot een soort van Bijltjesdag.  

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.