Columns met een glimlach

Verhalen en ontboezemingen die ironisch bedoeld zijn

499. Ze zei meneer tegen me

1 reactie

U kent het filmpje best wel. Een klein jongetje, nauwelijks vijf jaar jong, gaat met gezinsleden naar een vestiging van McDonalds. Hij mag aan de balie het woord doen en bestelt achtereenvolgens calorierijke gerechten voor z'n vader, z'n moeder en z'n zusje.

De juffrouw achter de balie speelt het spel mee: "En, wat wil meneer zelf?".

Aan het tafeltje gezeten kan hij er nog steeds niet over uit: "Ze zei meneer tegen me...."

 

Het moment dat ikzelf voor het eerst werd aangesproken met "meneer" kan ik me nog levendig herinneren. Ik was iets ouder dan vijf jaar. Achttien om precies te zijn. Mijn sollicitatie bij het Natuurkundig Laboratorium (NatLab) van een grote gloeilampenfabriek in het zuiden van ons land leidde me naar de lichtstad Eindhoven. Een groepje sollicitanten zat in een soort wachtkamer. Toen gebeurde het. Er kwam een jongedame in de deuropening en die kondigde de volgende kandidaat aan: "Meneer Pluijmers". Het duurde even voor ik weer bij m'n positieven kwam: "Meneer Pluijmers? Verrek !!! Dat ben ik !!!"

 

Toen volgde er een gesprek met een (andere) meneer die me vroeg of ik graag natuurkundig of scheikundig werk wilde doen. Mijn keus lag al vast: scheikundig. De volgende vraag was iets moeilijker. Of ik liever op een anorganische of op een organische afdeling zou willen werken. Tot mijn grote geluk koos ik toen voor anorganisch.

Dat vraagt om een toelichting. Later bleek dat ze in de organische afdeling veelvuldig werkten met het oplosmiddel benzeen. De hele afdeling rook nadrukkelijk naar deze vloeistof. Ze wasten bij wijze van spreken hun handen in de benzeen. Wij, van de anorganische afdeling, noemden die afdeling spottend het "benzeenparadijs". In die tijd was nog niet ontdekt dat het stofje benzeen vreselijk giftig was en in veel gevallen leidde tot ernstige ziektes. Pas jaren later werd dit bekend. In diezelfde periode is ook asbest veroordeeld tot een uiterst gevaarlijke stof.

Maar waar het op neerkomt: Als ik destijds gekozen had voor een organische afdeling dan had ik jarenlang, dag in dag uit, benzeen opgesnoven. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had ik dan mijn huidige leeftijd nooit bereikt.

Maar aan het anorganisch lab heb ik leuke herinneringen: drie andere "nieuwkomers" waren allen Brabanders: uit Helmond, Tilburg en Steenbergen. Goed om de zachte g te kunnen oefenen.

 

Mijn verhuizing van Middelburg naar Eindhoven bracht nog andere zaken met zich mee. Een kamer bij een hospita, toevallig in dezelfde straat als het NatLab, elke avond warm eten in de Philips-kantine in de Gagelstraat, waar je tegen een bedrag van f 1,75 zoveel kon bunkeren als je wilde. De wekelijkse treinreizen van en naar Zeeland. Om twee verschillende redenen bracht ik de weekenden bij voorkeur door in Middelburg. Mijn vriendin was de belangrijkste drijfveer en de voetbalwedstrijd van de zaterdagafdeling van Middelburg wilde ik ook niet missen. Door de week mocht ik trainen bij amateurvoetbalclub Brabantia in Eindhoven. Nee, een PSV-supporter ben ik nooit geworden. Op onze afdeling van het NatLab was er een iets oudere collega die anti-PSV was en fanatiek vóór FC Eindhoven. Dat droeg hij uit met zoveel enthousiasme, dat wij, nieuwkomers, ook allemaal anti-PSV werden. Tot op de dag van vandaag is dat zo gebleven.

Het grappigste van de treinreis van Middelburg naar Eindhoven was het bord op het station van Tilburg. Onder de naam Eindhoven stond met grote letters: STOPT NIET TE BEST. Dit lijkt alsof de remmen slecht werkten, maar in werkelijkheid sloeg de trein het stationnetje van het plaatsje Best over....

 

We maken een gedachtesprongetje. Voor het eerst met meneer aangesproken worden is een belangrijke gebeurtenis in je leven. Later, toen ik in het onderwijs zat, ben ik vele, vele, vele, malen met meneer aangesproken. Dus het is goed gekomen.

Maar er is nog een ander fenomeen. De eerste keer dat iemand jou, in het openbaar vervoer, zijn of haar zitplaats aanbiedt. Ook dit is een historisch moment in iemands leven.

De eerste keer dat het mij overkwam? Dat was veel te vroeg! Ik was nog geen vijftig!!! Nog volop sportman: voetballen, volleyballen, lange afstandsfietsen.

Het gebeurde niet in het openbaar vervoer, maar in een sportkantine, waar alle barkrukken bezet waren toen ik binnentrad. "Ga jij maar zitten. Ik sta wel". Een collega sprak deze gedenkwaardige woorden. Helaas een aanzienlijk aantal jaren te vroeg. Ik voelde me enigszins belazerd. Misschien was het goed bedoeld, maar ik ga toch uit van een pesterijtje.

Als ik deze ex-collega nog wel eens in de stad tegenkom dan gaan mijn gedachten weer zo'n 25 jaar terug...

 

Opstaan in de trein voor een ouder iemand, nee dat komt nog sporadisch voor. De jonge passagiers zitten aan hun smartphone gekluisterd en dat werkt veel beter in zittende toestand. Een ouder persoon wordt tegenwoordig over het hoofd gezien.

Laatst zat ik in de trein toen er een ouder vrouwtje de coupé binnenkwam. Nee, niemand had dat in de gaten. De smartphone eiste alle aandacht op. Toen heb ik, als 75-jarige, het besluit genomen om dat oude vrouwtje mijn zitplaats aan te bieden. Dankbaar aanvaardde ze mijn aanbod. En de jeugd eromheen? Nee, die had niets in de gaten. Ze hadden het veel te druk met hun digitale escapades. Daar is maar één woord voor: SCHANDE.

 

Jammer dat ik deze column zo moet afsluiten, maar .... het is niet anders.

 

1 reactie

Dat van het smartphonegedoe in de treincoupé klopt helemaal. Ik heb daarbij ook nog wel meegemaakt dat bij drukte en weinig zitplaatsen het ook niet normaal is om die grote tas naast je op zo'n plaats even weg te halen uit jezelf. Als je daarom vraagt, is de blik die je krijgt ook niet altijd even sympathiek. Het is niet anders!

Toos van Holstein

29 January 2020 om 14:01

Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.