Columns met een glimlach

Verhalen en ontboezemingen die ironisch bedoeld zijn

233. Zeeuwse dialecten (1)

2 reacties

Slim idee van die oud-collega's. Toen ik in de jaren '70 het bedrijfsleven vaarwel zegde voor een baan in het agrarisch beroepsonderwijs zagen ze de bui al hangen. Op de nieuwe school zou ik geconfronteerd worden met dialecten uit alle uithoeken van de provincie en zelfs daarbuiten. Mijn kennis van de Zeeuwse taal beperkte zich slechts tot een paar zinnetjes stadszeeuws uit de Zeeuwse hoofdstad. "We gae naer uus" even later gevolgd door "We bin tuus". Dat was zo ongeveer mijn Zeeuwse vocabulaire. Ruim onvoldoende om mijn toekomstige leerlingen te kunnen verstaan, ruim onvoldoende ook om de wekelijkse dialect-column uit het Zeeuwse Suffertje (=PZC) te kunnen ontcijferen.

Maar dankzij het Zeeuwse Woordenboek kwam ik goed beslagen ten ijs voor mijn aanstaande leerlingen. Nee, ik nam het boek NIET mee naar school. Weet je wel wat voor een dikke pil of dat is? Allereerst had ik heel veel baat bij de Zeeuwse benamingen van de dorpen van herkomst van al die brave leerlingen. Dat gaf al een stuk duidelijkheid.

Een bloemlezing:
Walcheren: De "kerkes" werden afgekort tot simpele benamingen als Grieps, Melis, Bigge, Klevers, Aegte, Séroos. Twee van de minst aansprekende Walcherse dorpjes werden zelfs samengevoegd tot een heuse metropool: Klevers-Ritthem. En niet te vergeten de toeristenoorden Zoetelande en Waschappel.
Zuid-Beveland: Yese, Kruningen, Krabbendieke, Oeikenskarke, Weumeldienge, Srabbekerke.
Noord-Beveland: Kortjeen, Colijn.
Zeeuws-Vlaanderen: Sluus, Aerdenburg, Ôofdplaet, d'n Oek, Sluuskil.
Schouwen: Zurrekzeeë, Ziepe, Bru en Brouw.
Tholen maakte het helemaal bont: Sint-Annaland werd verbasterd tot Stalland en Sint-Maartensdijk tot Smerdiek. Hier kom je niet op.
En het is ook een beetje oneerbiedig om het dorpje van de eerbiedwaardige Sint-Philips aan te spreken als een simpel jampoppetje uit de Centrale Betuwe: Flipland.

Hier volgen enkele opvallende anekdotes op het gebied van dialecten:

Eind jaren '50 dienden zich bij ons thuis enkele meisjes aan die aan de Middelburgse Kweekschool tot kleuterjuf gevormd wilden worden. Zij kwamen wekelijks met de boot de Westerschelde over.
Die boot is iedereen al vergeten, wat resteert is slechts de herinnering aan de traditionele erwtensoep met worst en de kroketten met mosterd. Deze meisjes introduceerden bij ons thuis een sappig Zeeuws-Vlaams taaltje, doorspekt met Belgische invloeden. Aardappelen werden sindsdien niet langer gekookt in een pannetje, nee, de petoaten werden vanaf die dag gekookt in een castrolleke.

Een ander verhaal gaat over Noordelijk Zeeland, het Sodom en Gomorrah van Zeeland. Reeds in de jaren '50 was het mij opgevallen dat de winkeldiefstal daar hoogtij vierde. Voor de goede orde: Willem Holleeder was toen nog niet geboren. Hoe ik dat weet? Eigenlijk vrij simpel. Niemand in Zierikzee deed er geheimzinnig over. Iedereen kwam er openlijk voor uit:
"We gaan op de markt onze groente kapen"
"En nog even naar de bakker om een brood te kapen"
"Op de terugweg kapen we nog een visje aan de kraam"
Een hele bijzondere samenleving waarin alles gekaapt en niks gekocht wordt. Dan kun je het namelijk stellen zonder munteenheid...

De volgende episode die zijdelings over dialect gaat is ronduit ongelooflijk. U kent allemaal het beroemde boek van Franca Treur "Een dorsvloer vol confetti" gevolgd door de gelijknamige film. Schrik niet, het zou zo maar kunnen dat ik een wezenlijke bijdrage heb geleverd aan de totstandkoming van boek en film. Wat is het geval? De broer van Franca Treur behoorde ooit tot mijn agrarische leerlingen. Het was de bedoeling dat ik deze jongeman wiskunde en rekenen bij zou brengen. Stel dat deze Meliskerkse boerenzoon mij in die rekenlessen niet begrepen heeft, òf door een dialectisch misverstand, òf door onvermogen van mijn kant. En dat hij daardoor later een rekenfoutje heeft gemaakt in het berekenen van de maandelijkse stonden van zijn vriendin. De gevolgen van deze misrekening zijn overduidelijk. De jongeman moest trouwen en het boek en de film eindigden met een knalfeest op de dorsvloer met een overvloed aan confetti.
Stel dat de rekenvaardigheden wèl waren doorgedrongen tot het brein van de broer van Franca. Dan had hij goed opgepast en was voor het zingen de kerk uitgegaan. Nee, niet uit de kerk van Meliskerke, daar moet iedereen blijven zitten tot de dienst ten einde is. Maar dan was er géén gedwongen huwelijk geweest en dus ook géén confetti. De titel "Een dorsvloer zonder confetti" was zeker minder succesvol geweest en de film was er dan helemaal vermoedelijk helemaal niet gekomen. Eigenlijk verdien ik dus in de aftiteling een regeltje: Wiskundeleraar: ..........................

Tot slot gaan we het wat breder bekijken. Er zijn meer dialecten dan alleen het Zeeuwse. Met name in 1964 gingen mijn ogen en vooral mijn oren open toen ik plotseling geplaatst werd in een soldatenslaapzaal in Amersfoort met zo'n 25 andere Nederlanders.
Met dat groepje Limburgers die de hele dag schuine moppen aan elkaar vertelden. Lastig om op het goede moment te lachen als je de helft niet verstaat..
Met dat jongetje uit Bolsward die ècht geen woord Nederlands sprak.
Met dat manneke uit Almelo, zo te horen duidelijk een voorloper van Herman Finkers.
Met dat ras-Amsterdammertje dat vanaf 's morgens vroeg tot s avonds laat "Aan de voet van die ouwe Wester" liep te zingen. Helaas begon hij 's morgens al ruimschoots vóór het appèl.
Van dat ventje uit de Betuwe hebben we nooit één woord verstaan. Niemand niet trouwens.
Met dat boertje uit dat piepkleine dorpje vlakbij Helmond had ik diep medelijden. Hij had een ultra zachte g. Afschuwelijk, nog nooit zoiets gehoord. Uiteindelijk heb ik hem nog spraakles gegeven. Minutenlang hebben we geoefend op de harde ggggggggggggggggggggggggggg. Tevergeefs, hij had gewoon een ernstige afwijking aan z'n stembanden. Geen eer aan te behalen.

En dan was daar nog dat sergeantje met een hoofd vol zaagsel, een topografische kennis van een blinde meelworm en een richtingsgevoel van een bonte knaagkever met een zware hersenschudding. Hij verkeerde in de veronderstelling dat Zeeland nog steeds een eilandenrijk was, waarbij de verbindingen slechts per veerpont geregeld werden. Ik heb persoonlijk warme herinneringen aan deze meneer. Hij was verantwoordelijk voor de weekend-treinkaartjes en ik mocht altijd een paar uur eerder weg om de pont naar Middelburg te halen. Dat heeft me vele uren extra weekend opgeleverd.
Later werd deze gezagsdrager helaas weggepromoveerd en vervangen door  een exemplaar dat beter op de hoogte was. Die had op school duidelijk beter opgelet en wist dus dat er sinds 1873 een dubbele spoorlijn van Roosendaal tot Vlissingen lag, die achtereenvolgens de Kreekrakdam en de Sloedam passeerde. Jammer voor mij...

Afgelopen november was het feest: Het Zeeuws Woordenboek verjaert: 1964 - 2014 (50 jaar). Ondanks dat er nu een online versie is prefereer ik nog steeds het bladeren in het dikke boek. En als je eenmaal begint dan kun je bijna niet meer ophouden.

 

 

 

2 reacties

Ha, je bent er weer, Han!

Ja, die dialecten... Allemaal verschillend en soms bijna niet te verstaan. Ik heb er soms ook best moeite mee.

En die Zeeuw Vlaamse meisjes die bij jullie in de kost lagen...  Volgens mij zeiden die gewoon erpels, hoor!  

Tuinfluiter

13 December 2014 om 18:55

Dit doet mijn dialecthart goed!

Jopie Meerman

13 December 2014 om 22:26

Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.