mop

Communities

ZeelandNet

mop

WELKOM DIERENVRIENDEN

371.442 bezoekers 24 leden Log in

Dieren in de tuin..


De ecologie van de tuin

Tuinen verschillen van elke andere natuurlijke omgeving, maar hebben er wel een aantal eigenschappen mee gemeen. De twee essentiële kenmerken van de gemiddelde tuin zijn de grote verscheidenheid binnen een kleine ruimte ? geen enkel natuurgebiedje is zo gevarieerd ? en de beschutte omstandigheden.

Daarnaast worden er extra voedingsstoffen toegevoegd, buiten wat van nature beschikbaar komt. Tuinen kunnen tal van elementen bevatten: bomen, struiken, pollen gras, een gazon, onbegroeide grond, bloembedden, plaveisel, compost, stapels hout, schuurtjes, muren, broeikassen en dikwijls open water in de vorm van een vijver. De grond kan verrijkt zijn met turf, kalk of mest en sommige stukken kunnen droger of natter zijn, zoals een hoger gelegen perk. Behalve de diversiteit in structuur bestaat er een enorme verscheidenheid aan planten.

Er zijn planten die er van nature groeien, vaak aangeduid als onkruid. Maar ook kunnen er groenten, fruitbomen, vaste planten, eenjarige planten, kuipplanten, heesters en sierbomen staan. Bij elkaar kan het om honderden verschillende soorten gaan. Eveneens van groot belang is dat de keuze van planten vaak wordt bepaald door het gegeven dat men bijna elk seizoen van bloemen wil genieten.

Hierdoor is de periode met bloemen in de tuin veel langer dan in de wilde natuur en is er veel langer voedsel beschikbaar voor insecten. Tuinen worden ook aanzienlijk beter onderhouden dan de meeste terreinen op het platteland, hetgeen nuttige neveneffecten kan hebben, zoals voortdurend vers blad aan heesters, nadat deze gesnoeid zijn. Ondanks deze verschillen met natuurgebieden, functioneert ook de tuin tot op zekere hoogte als een ecosysteem. Er bestaat een wisselwerking tussen alle soorten en vanzelfsprekend evenzeer tussen de tuin zijn omgeving. De planten vormen de basis van het ecosysteem. Veel insecten voeden zich op een bepaald moment in hun leven direct met plantaardig materiaal. Deze insecten vormen op hun beurt weer een prooi voor andere insecten en op een bepaald moment in hun ontwikkeling kunnen zowel predator als prooi worden opgegeten door bijvoorbeeld vogels. Veel vogels zijn ook direct afhankelijk van planten en hebben hun hele leven of een deel ervan zaden nodig. Er zijn zoogdieren, zoals muizen en eekhoorns die zich direct voeden met plantaardig materiaal en andere die op zoogdieren jagen die op hun beurt afhankelijk zijn van planten. Dus hoe men het ook bekijkt, de planten vormen de spil van het hele systeem. Een tuin waarin gunstige omstandigheden worden geschapen voor de fauna, kan vele honderden diersoorten herbergen, die alle op verschillende manieren op elkaar inwerken. Van de vogels die in de tuin op bezoek komen, zijn sommige alleen aanwezig in de winter. Ze hebben belangstelling voor iedere mogelijke voedselbron, ook kunstmatige, en maken gebruik van beschutte plekken om te slapen. Het natuurlijke voedsel dat hen ter beschikking staat, wordt onder meer gevormd door het zaad van tuinplanten en de overblijfselen van vruchten, zoals gevallen appels. Sommige soorten zijn in eerste instantie op zoek naar wormen en andere ongewervelde dieren in het gazon of in de borders, of naar alle mogelijke vliegende insecten die ze kunnen vinden. Veel vogels komen ook af op voedsel dat speciaal voor hen is neergelegd of opgehangen, zoals pinda?s, zaden, reuzel enzovoort. Men gaat ervan uit dat de wijdverbreide gewoonte om ?s winters vogels te voederen, heeft bijgedragen aan de groei van de populatie van enkele veel voorkomende vogels, zoals koolmeesjes, en andere soorten in staat heeft gesteld om noordelijker te overwinteren dan ze gewend waren. Zwartkopjes bijvoorbeeld overwinteren nu regelmatig in Groot-Brittannië en een groot deel van hun wintervoedsel wordt door mensen verstrekt. Sijsjes komen tegenwoordig regelmatig in tuinen aan het eind van de winter wanneer hun natuurlijke voedselbronnen, zoals elzezaden, uitgeput zijn geraakt; zonder pinda?s zouden ze veel eerder doodgaan in een koude periode. Standvogels of vogels die alleen in de zomer aanwezig zijn, kunnen een nest bouwen in de tuin. Hiervoor hebben ze een geschikte nestplaats nodig, zoals een heg, struikgewas, een oude boom, een klimplant tegen een muur of natuurlijk een nestkastje. Sommige soorten, zoals roofvogels, zijn niet snel geneigd in een doorsnee tuin hun nest te bouwen, maar vele kleinere vogels vinden vaak wel een plek van hun gading. Als ze nestelen, is niet alleen veiligheid van belang, maar ook een territorium waar ze voedsel kunnen vinden voor hun jongen. Dit beslaat waarschijnlijk een veel groter oppervlak dan de tuin. Hoe geschikter de natuurlijke omgeving is, des te meer vogels er zullen nestelen. De meeste tuinvogels voeden hun jongen met rupsen en volwassen insecten, dus het gebied moet veel verschillende planten herbergen, die op hun beurt vele insecten van voedsel voorzien. In dit opzicht zijn de oorspronkelijk voorkomende planten over het algemeen het productiefst, aangezien grotere aantallen insecten zich ermee voeden.

Zoogdieren kunnen de tuin gebruiken als voedselbron, als schuilplaats en om jongen te krijgen. Grotere soorten, zoals vossen en dassen, hebben een zeer uitgestrekt leefgebied, waarbinnen ze rondtrekken en voedsel zoeken. Ze hebben bijvoorbeeld het platteland in de buurt van een stad als uitvalsbasis of leefgebied en scharrelen soms rond in een aantal stadstuinen om voedsel te zoeken. Ook kunnen ze leven in een ruig gebied binnen de stadsgrenzen, zoals spoorwegterreinen, een onbebouwde lap grond of zelfs een grote tuin. Kleinere zoogdieren, zoals egels en muizen, kunnen vaak geheel in tuinen leven, met een thuisbasis in èèn tuin en een foerageergebied dat verscheidene tuinen beslaat. Tot op zekere hoogte is het mogelijk dat zoogdieren van voedselgebied veranderen naargelang het seizoen en op kleine schaal verhuizen, maar in veel mindere mate dan vogels. Amfibieën en reptielen verplaatsen zich, evenals kleine zoogdieren, binnen een klein gebied. Amfibieën als kikkers en padden keren elk jaar in het voorjaar terug naar hun oorspronkelijke broedplaats en deze kan al dan niet in een tuin zijn gelegen.

Padden hebben vaak van generatie op generatie eenzelfde grote broedplaats en als u geluk hebt, ligt uw tuin daar in de buurt, zodat u regelmatig de gelegenheid krijgt om padden te zien. Waarschijnlijk hebben de ongewervelde dieren de meest gecompliceerde en veeleisende levenscyclus. Er bestaan duizenden verschillende soorten insecten en andere ongewervelde dieren die in een tuin zouden kunnen voorkomen. Welke dat echter in feite zijn, hangt af van algemene kenmerken als klimaat, de nabijheid van wilde terreinen, de graad van vervuiling en, tot op zekere hoogte, het toeval. Maar het hangt er ook van af of een tuin datgene biedt wat een specifieke soort nodig heeft. Het volgende voorbeeld is een illustratie van zo?n ingewikkelde samenhang. Het zilverblauwtje is in tuinen een bekende verschijning. In het voorjaar heeft de vrouwtjesvlinder hulstbloesem nodig om haar eieren op af te zetten, want de groeiende rupsen hebben de jonge bessen nodig als voedsel. Er bestaan zowel mannelijke als vrouwelijke hulstplanten. De mannelijke vormen wel bloemen, maar geen vruchten, zodat alleen de vrouwelijke hulst geschikt is (geregeld maken de vlinders echter een vergissing en leggen ze hun eieren op mannelijke planten, wat tot een mislukte poging tot voortplanting leidt). De rupsen die zich met succes hebben gevoed met de bessen, zullen tenslotte verpoppen en op zoek gaan naar een holletje of een andere schuilplaats. Nadat ze zijn ontpopt, in juli of augustus, hebben de vlinders nectar (van bijvoorbeeld bramenbloesem) nodig om zich te voeden en na de paring een plek om eieren af te zetten. Deze tweede generatie vlinders kiest hiervoor niet de hulststruik, aangezien deze geen vruchten heeft in de herfst, maar de klimop, die bloeit in de late zomer en vruchten draagt in de herfst. De tweede generatie rupsen voedt zich met de klimopbloesem en de bessen, en zal de winter als pop doorbrengen, beschermd tegen de vorst en vijanden. De meeste andere insecten hebben net zulke ingewikkelde eisen, in die zin dat ze èèn of meer voedselplanten nodig hebben voor hun larven, een nectarbron in de vorm van bloemen als ze volwassen zijn, bescherming tegen koude wind, een veilige plek om de winter door te brengen, enzovoort. Een tuin die is ontworpen met de dierenwereld in gedachten, kan aan al deze voorwaarden voldoen voor een hele reeks insecten. Hoe meer insecten voedsel kunnen vinden, des te meer vogels en zoogdieren worden aangetrokken die zich met de insecten voeden.

Kijken naar dieren in de tuin

Het is nergens gemakkelijker om naar dieren te kijken dan in de tuin. Er zijn tal van voordelen: u kunt er het hele jaar door zijn, om te kijken hoe vogels nestelen of hoe bloemen ontluiken. U kunt ?s morgens vroeg opstaan om vogels te horen zingen of rustende vlinders te ontdekken. En u kunt alle veranderingen volgen en de soorten die u niet goed kent in u opnemen. En het mooist van alles is dat u veranderingen in de tuin kunt aanbrengen om het aantal dieren dat er leeft te vergroten. Vogels zijn bijzonder interessant om te bestuderen of te fotograferen.

Als het mogelijk is, probeer dan een voederplaats te maken dicht bij een raam, van waaruit u regelmatig kunt kijken. Op deze manier kunt u iedere soort die voedsel komt zoeken snel ontdekken en identificeren. Daarnaast kunt u een vogelbadje en zelfs nestkastjes plaatsen op een zichtbare plek, hoewel het een goed idee is om er ook een paar wat verder van huis op te hangen voor de schuwere soorten. Een verrekijker is een handig hulpmiddel, bij voorkeur bewaard op een voor de hand liggende plaats. Met een verrekijker is het mogelijk onbekende vogels beter te bekijken, of een Zoogdier, vlinder of libel die toevallig langs komt en die moeilijk is te benaderen. Een verrekijker kan zelfs van nut zijn als er heel weinig licht is en u het geluk hebt dat nachtdieren in de tuin rondscharrelen. Tijdens het broedseizoen, globaal genomen van april tot juni, zullen de mannetjes van ieder vogelpaar een groot deel van de tijd doorbrengen met zingen. De meeste soorten doen dit ?s morgens vroeg het openlijkst en vaakst. Aangezien de tuin letterlijk op de drempel van de tuindeur begint, is het de moeite waard op droge, stille ochtenden zo snel mogelijk na zonsopgang naar buiten te gaan, om te observeren welke vogels aan het zingen zijn. U kunt dan hun verblijfplaats in kaart brengen op een plattegrond van de tuin, het aantal paartjes van elke soort schatten en een idee krijgen van hun territorium. Als u maar een kleine tuin hebt, zal deze slechts een deel vormen van een territorium, maar in het algemeen zult u kunnen zien waar ze nog meer zingen in de omgeving. Uit de waarnemingen kunt u misschien afleiden waar de vogels hun nest hebben. Dit is het gemakkelijkst als ze hun jongen voeden. De oudervogels keren steeds terug naar dezelfde plek met voedsel in hun snavel. Na korte tijd weet u precies waar het legsel zich bevindt. Als u een nest hebt bekeken, zorg dan dat het ook goed verborgen is als u weggaat, want natuurlijke vijanden zoals eksters hebben het anders snel gevonden. Als u wilt weten welke insecten er in uw tuin komen, kunt u op een nacht naar buiten gaan met een zaklantaarn. Vele insecten en andere ongewervelde dieren zijn echte nachtdieren en zult u vooral ?s nachts kunnen zien. Kijk goed naar bloemen om nachtvlinders, oorwurmen en andere beestjes te vinden, die er zich voeden.

Op de grond lopen misschien bodemkevers, duizendpoten, pissebedden en andere dieren, en misschien komt u tot de ontdekking dat er veel meer slakken zijn dan u dacht. Als u een vijver hebt, ga dan op zoek naar waterinsecten en ook naar salamanders, die ?s nachts meestal het actiefst zijn, vooral tijdens de paartijd. Nachtelijke speurtochten verraden misschien ook de aanwezigheid van egels of een nog grotere gast, zoals een vos, die u waarschijnlijk nooit had vermoed. Ook kunt u de roep van vleermuizen opvangen of het gepiep van muizen of spitsmuizen (hoewel vaak alleen jonge mensen een gehoor hebben dat scherp genoeg is om zulke hoge tonen waar te nemen). Om uw kennis van de ?s nachts actieve insecten te vergroten, kunt u een lichtval gebruiken. Zo?n val bestaan uit een sterke lichtbron, meestal een kwikdamplamp, en een of andere doos of zak waarin de nachtvlinders en andere insecten die door het licht worden aangetrokken, vallen en waaruit ze niet kunnen ontsnappen. Zulke vallen zijn te koop, maar u kunt er ook zelf gemakkelijk een maken. De informatie die zo?n val verschaft, kan opmerkelijk zijn. Als u uw tuin alleen overdag bekijkt, ontdekt u misschien een half dozijn verschillende nachtvlinders in een heel jaar. Degenen die een lichtval plaatsen en de gegevens regelmatig opschrijven, vangen niet zelden 300 of 400 verschillende soorten nachtvlinders en ook nog vele andere insecten. De gevangen exemplaren moeten altijd worden vrijgelaten na observatie. Als u een vijver hebt- en iedere goede dierentuin zou er een moeten hebben ? is het fascinerend daar eens naar het dierenleven te kijken. Het is heel boeiend om op een warme zonnige dag een tijdje enkel en allen te kijken naar het wateroppervlak en daaronder, om te zien wat er zich zoal afspeelt. Er is een verbazende scala aan leven in een goed aangelegde vijver, maar het meeste is zelden te zien, omdat beestjes zich anders gedragen als ze worden gadegeslagen. Als u ongeveer een half uur stil blijft zitten, zal er veel meer te zien zijn. Libellen of waterjuffers komen misschien te voorschijn, vliegen vertonen wellicht met golvende vleugels hun intrigerende hofmakerij, kikkers komen aan het oppervlak om te zonnebaden en jagende keverlarven vangen een prooi, om maar een paar mogelijkheden te noemen. Een andere gelegenheid om te observeren, kunt u creëren door een tamelijk groot aquarium in huis te zetten, kant en klaar voor gebruik en stabiel. Daarin kunt u kikkervisjes of andere waterdiertjes doen om ze een paar dagen gade te slaan, voordat u ze terugzet in de vijver. Als het aquarium groot genoeg is, is het zelfs mogelijk grotere dieren te houden, zoals salamanders, om ze te volgen tijdens hun paartijd. Tenslotte, het is heel leuk een notieboek bij te houden van wat u waarneemt naarmate de tuin zich verder ontwikkelt en steeds geschikter wordt voor dieren. Na verloop van een paar jaar kunt u terugkijken en vaststellen wat u hebt bereikt. Zelfs als eenvoudige bron van gegevens is het interessant. U kunt het totale aantal vogels dat te gast is geweest, optellen, nagaan wanneer u voor het eerst een bepaalde vlinder zag, of aantekeningen maken die van nut zijn bij latere identificatie.

 

 

 

Omhoog