Het leven na de diagnose

Communities

ZeelandNet

Het leven na de diagnose

Welkom op de community Het leven na de diagnose!

416.197 bezoekers 78 leden Log in

Info over andere soorten kanker.


-NON - HODGKIN - LYMFOOM

-DARMKANKER

-PROSTAATKANKER

-LONGKANKER

-BLAASKANKER

-BAARMOEDERHALSKANKER

 

 

 

Non-Hodgkin-lymfoom            

 Inleiding

 Non-Hodgkin-lymfoom

Soorten non-Hodgkin-lymfoom

 Verschijnselen

Oorzaken

Diagnose

Behandeling

Complicaties

 Succes van de behandeling

Literatuur                   

Inleiding   Lymfe is een bleekgele doorzichtige vloeistof die wordt verzameld uit de weefsels in het gehele lichaam. Deze vloeistof stroomt door de lymfevaten en wordt uiteindelijk aan het bloed toegevoegd dat door de aderen circuleert (het bloed zonder zuurstof dat op weg is naar het hart). Lymfe bestaat uit een heldere vloeistof met variërende aantallen witte bloedlichaampjes (voornamelijk lymfocyten).De witte bloedlichaampjes zijn verantwoordelijk voor het bestrijden van infecties en andere ziekten. Lymfeknopen komen in grote aantallen voor en zijn ronde, ovale of boonvormige lichaampjes die verspreid langs de lymfevaten liggen. Ze kunnen sterk in grootte variëren (doorsnede 1 tot 25 mm). Lymfeknopen worden ook wel lymfeklieren genoemd. Lymfeklieren zijn soms te voelen onder de oksels, in de liezen en in de nek.Lymfoom wil zeggen kanker van het lymfatisch stelsel, dat wil zeggen kanker van de lymfeknopen en de milt, thymus (zwezerik), amandelen en het beenmerg. Lymfoom is een verzamelbegrip, we kennen verschillende types aandoenignen die onder dit begrip vallen; de bekendste zijn Hodgkin en non-Hodgkin, maar ook Burkitt lymfoom en mycosis fungoides vallen in deze groep.  

 Non-Hodgkin-lymfoom   Non-Hodgkin-lymfoom is een groepsnaam, het omvat een reeks van kwaadaardige aandoeningen die uitgaan van het lymfestelsel. Het Non-Hodgkin-lymfoom werd ook wel lymfosarcoom, lymfocytisch lymfoom, reticulosarcoom, histiocyten lymfoom en lymfoblastisch lymfoom genoemd. Tegenwoordig gebruiken we verschillende indelingen, die meer gebaseerd zijn op de soort cellen die het betreft en de mate van agressiviteit van de tumor. Non-Hodgkin-lymfoom treft iets meer mannen dan vrouwen. De aandoening komt het meeste voor in de leeftijdsgroep boven de 50 jaar.  

Soorten non-Hodgkin-lymfoom   Het Non-Hodgkin-lymfoom kan voor het gemak worden onderverdeeld naar de ernst van de aandoening in lymfomen met een hoge maligniteitsgraad en een lage maligniteitsgraad. Lymfomen met een hoge maligniteitsgraad verspreiden zich snel, veroorzaken snel verschijnselen en zijn dodelijk als ze niet worden behandeld. Lymfomen met een lage maligniteitsgraad verspreiden zich langzamer, veroorzaken veel geleidelijker verschijnselen en zijn over het geheel veel trager in hun voortschrijden, maar meestal ongeneeslijk.  

Verschijnselen   Meestal vertoont de patient aspecifieke klachten, of zelfs in het geheel geen klachten. Wel doen zich stevige pijnloze zwellingen voor van de lymfeknopen. Daarnaast kan er sprake zijn van koorts, gewichtsverlies, vermoeidheid en nachtelijk zweten. Het vergrote lymfeweefsel kan op de darmen drukken en verstopping veroorzaken, of op de ruggengraat, met verlamming als gevolg.  

Oorzaken   De oorzaken van het Non-Hodgkin-lymfoom zijn nog niet definitief vastgesteld. Dit lymfoom kan optreden als een vergevorderd verschijnsel van een hiv-infectie (Human immunodeficiency virus). Specifieke Non-Hodgkin- lymfomen worden in verband gebracht met bepaalde virussen, zoals het Epstein-Barr-virus, bacteriële infecties (bijvoorbeeld een Helicobacter pylori-infectie) en bepaalde genetische afwijkingen. Het Non-Hodgkin- lymfoom kan daarnaast voorkomen bij patiënten met een verzwakt of onderdrukt immuunsysteem (het verdedigingssysteem van het lichaam) zoals dat kan optreden bij transplantatiepatiënten direct na de operatie.  

Diagnose   Het Non-Hodgkin-lymfoom kan alle lymfeweefsels van het lichaam aantasten, en een scan (bijvoorbeeld CT-scan, Computertomografie) is nodig van het gehele lichaam. Daarnaast kan een monster van een verdachte lymfeknoop en wat beenmerg (het weefsel dat de holten in het gebeente vult) worden afgenomen voor onderzoek (biopsie). Het afgenomen weefsel wordt onderworpen aan morfologisch (er wordt gekeken naar de vorm), immunologisch en genetisch onderzoek.  

 Behandeling   Mogelijke vormen van behandeling, afhankelijk van indeling en van stadium van ontwikkeling, zijn radiotherapie (bestraling), medicijnen die de kankercellen vernietigen (chemotherapie) of een combinatie van die twee. Bepaalde Non-Hodgkin-lymfomen kunnen succesvol worden behandeld met biologische stoffen zoals interferon-a of monoklonale antilichamen, zoals anti-CD20.  

Complicaties   Er kunnen complicaties optreden bij de behandeling van het Non-Hodgkin- lymfoom. Chemotherapie en radiotherapie onderdrukken het immuunsysteem van het lichaam. Daardoor is de patiënt vatbaarder voor infecties. Als de patiënt koorts ontwikkelt, moet onmiddellijk de arts worden geraadpleegd.  

 Succes van de behandeling   De kans op genezing is afhankelijk van het soort Non-Hodgkin-lymfoom, de omvang van het kankerweefsel en de uitzaaiing op het moment van de diagnosestelling. Bij Non-Hodgkin-lymfomen met een lage maligniteitsgraad leven de patiënten nog 10 jaar of langer nadat de diagnose is gesteld. Bij Non-Hodgkin-lymfomen met een hoge maligniteitsgraad reageert een groot aantal patiënten goed op de behandeling, maar de aandoening komt vaak terug. Afhankelijk van de risicofactoren is tussen 26% en 73% van de patiënten na 5 jaar vrij van de ziekte.  

 Literatuur   Glandular fever (infectious mononucleosis), http://www.netdoctor.co.uk/diseases/facts/glandularfever.htm   Hodgkin's disease (lymph node cancer), http://www.netdoctor.co.uk/diseases/facts/hodgkinsdisease.htm   Mackie, M.J., Ludlam, C.A., Haynes, A.P. 1999, Diseases of the blood, in: Davidson's Principles and Practice of Medicine, eds C. Haslett, E.R.E.   Chilvers, J.A.A. Hunter & N.A. Boon, 18th ed, Harcourt Publishers, London.   Non-Hodgkin's Lymphoma, http://www.cancer.gov/cancer_information/cancer_type/lymphoma   Non-Hodgkin's Lymphoma, http://www.nlm.nih.gov/medlineplus/ency/article/000581.htm   Rohatiner, A.Z.S., Slevin, M.L., Tate, T. 1999, Medical oncology, in: Clinical Medicine, eds P. Kumar & M. Clark, 4th ed, Harcourt Publishers Limited, London.        

 Disclaimer Bron LSHTM Copyright Medic Info Datum 28/04/2003  

 Met dank aan Emile voor de info...

 

Darmkanker.

In België tellen we jaarlijks 4.000 nieuwe gevallen van dikke darmkanker. De verdeling tussen mannen en vrouwen is vrijwel gelijk. Darmkanker is de tweede meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen en de derde meest voorkomende bij mannen. De aandoening komt aanzienlijk meer voor vanaf de leeftijd van 50 jaar. Hoe vroeger men het kwaadaardig gezwel ontdekt, hoe groter de kansen op genezing. Vandaar het belang van opsporing en vroegtijdige diagnose.
Ook in andere geïndustrialiseerde landen blijft de frequentie van darmkanker hoog. Over de hele wereld tellen we jaarlijks 875 000 nieuwe gevallen.

Dikke darm   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   De kartel- (colon) en de endeldarm (rectum) vormen samen de dikke darm. Die bestaat uit vier delen: de stijgende, de dwarse en de dalende dikke darm, en het sigmoïd dat in de endeldarm eindigt. De dikke darm bundelt de resten van de spijsvertering. Het proces leidt uiteindelijk tot de vorming van de ontlasting.

Hoe ontstaat darmkanker?   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   Cellen zijn de kleinste levende deeltjes van ons lichaam. Ze delen zichzelf om de groei of het onderhoud van het organisme te verzekeren. Binnenin elke cel controleren verschillende genen (DNA-deeltjes) dat proces nauwgezet. Toch ontsnapt de celdeling soms aan de controle. De aangemaakte overtollige cellen vormen dan samen een gezwel. Wanneer het gezwel uit kankercellen bestaat, kunnen die van hun oorspronkelijke plaats 'ontsnappen' om andere delen van het lichaam te koloniseren. Dat noemt men uitzaaiingen.
Een kwaadaardig gezwel (kanker) kan in de dikke darm opduiken. Meestal ontstaat het gezwel uit een niet-kwaadaardige poliep in het darmkanaal.
Tussen het ontstaan van een poliep en de ontwikkeling tot een kwaadaardig gezwel verloopt gemiddeld 5 tot 10 jaar.


Alarmsignalen   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   De volgende symptomen wijzen niet altijd op darmkanker, maar als ze zich voordoen, raadpleegt u toch best een arts:

? een onverklaarbare en aanhoudende verandering in het ontlastingspatroon (constipatie, diarree);
? de aanwezigheid van bloed in de stoelgang;
? aanhoudende buikpijn;
? gewichtsverlies zonder een duidelijk aanwijsbare reden.

   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrow.gif Test uw risico op colonkanker

Risicofactoren   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   In 75 percent van de gevallen is er bij dikke-darmkanker geen sprake van een bepaalde risicofactor. Voor de resterende gevallen bestaat er een aantal factoren die mensen vatbaar maken voor deze vorm van kanker: familiale belasting, erfelijke vormen van dikkedarmkanker, leeftijd, poliepen; voorgeschiedenis, chronische darmontstekingen.
Al die factoren verhogen het risico om darmkanker te krijgen, doch de aanwezigheid van een of meer van die risicofactoren heeft evenwel niet noodzakelijk darmkanker tot gevolg.

? Familiale belasting: de kans op darmkanker hangt af van het aantal personen uit dezelfde familie die kanker of poliepen hebben, en van de leeftijd van die personen. Hoe jonger de getroffen persoon is, hoe groter het risico voor zijn omgeving
? Erfelijkheid: er bestaan zeldzame vormen van erfelijke darmkanker
? leeftijd: De meeste patiënten die aan deze vorm van kanker lijden, zijn ouder dan vijftig; toch kan de ziekte op iedere leeftijd voorkomen De gemiddelde leeftijd ligt hoger bij vrouwen (72 jaar) dan bij mannen (69 jaar).
? poliepen: Kwaadaardige gezwellen in de dikke darm ontstaan meestal uit goedaardige poliepen. Ong. 5% van de poliepen wordt kwaadaardig. Ongeveer een kwart van de bevolking heeft darmpoliepen op de leeftijd van vijftig. De verwijdering van die poliepen vermindert het risico op het ontstaan van kanker aanzienlijk.
? voorgeschiedenis: Het risico op een tweede gezwel in de dikke darm bij een patiënt die al dikkedarmkanker heeft gehad, ligt hoger dan het gemiddelde bij de bevolking
? chronische darmontstekingen: Patiënten met een langdurig bestaande actieve rectocolitis (langer dan 10 jaar) of de ziekte van Crohn met aantasting van de dikke darm lopen een verhoogd risico.

Darmkanker voorkomen ? Men kan enerzijds trachten het ontstaan van de ziekte te voorkomen en anderzijds pogen vroegtijdige letsels (poliepen) op te sporen.
Op dit ogenblik is het nastreven van een evenwichtige voeding, rijk aan groenten en fruit, en arm aan dierlijke vetten de belangrijkste boodschap. Die algemene regel geldt trouwens ook voor veel andere soorten kanker. Regelmatige lichaamsbeweging en het vermijden van overgewicht zijn eveneens aan te raden.
Het systematisch innemen van vezelsupplementen of van calcium is waarschijnlijk beschermend, maar er zijn onvoldoende bewijzen om dat als algemene regel voor iedereen aan te bevelen.
Mogelijk heeft de regelmatige inname van aspirineachtige geneesmiddelen een beschermende werking tegen dikkedarmkanker, maar weer zijn er op dit ogenblik nog onvoldoende wetenschappelijke bewijzen om het gebruik van dergelijke producten algemeen aan te bevelen Vroegtijdige opsporing   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   Geneesheren beschikken over verschillende technieken om kwaadaardige gezwellen en goedaardige poliepen in de dikke darm op te sporen.

De faeces occult blood test (FOBT), een onderzoek om de aanwezigheid van bloed in de stoelgang op te sporen, voert men uit vanaf veertig à vijftig jaar. Zoals de naam al aangeeft, heeft het onderzoek als doel onzichtbare bloedsporen in de stoelgang op te sporen. De test is maar nuttig indien hij strikt volgens de voorschriften gebeurt. Dat houdt een jaarlijks onderzoek in van drie opeenvolgende stoelgangen, waarvan men telkens twee staaltjes neemt. Als de test positief uitvalt, dient er verder onderzoek te gebeuren. Het is een eenvoudig en goedkoop onderzoek, zonder enig risico.

Endoscopie is de meest gevoelige methode. Met behulp van een flexibele buis met camera bekijken de geneesheren de binnenzijde van de dikke darm. Indien nodig kunnen ze tijdens het onderzoek stukjes weefsel wegnemen voor verder onderzoek en/of poliepen verwijderen.
Het onderzoek beperkt tot het einde van de dikke darm en de endeldarm noemt men recto-sigmoïdoscopie. Dat onderzoek laat toe om 40 tot 60 percent van de poliepen op te sporen. Men voert het om de vijf jaar uit en men start meestal vanaf de leeftijd van 50 jaar.
In de andere gevallen kan het gaan om een volledig onderzoek, totale coloscopie genoemd. Bij een normaal onderzoek is controle pas nodig na tien jaar. Een totale coloscopie is noodzakelijk wanneer de rectosigmoïdoscopie een gezwel en/of poliepen heeft aangetoond.
Een laatste onderzoek dat men kan uitvoeren is het dubbelcontrast bariumlavement. Daarbij dient men een lavement toe met een witte, kalkachtige stof. Zo kan de radioloog opnames maken van de dikke darm en de aanwezigheid van poliepen en/of gezwellen opsporen. Het is een veilige en vrij accurate methode.

Deze onderzoeken zijn aan te raden voor:
? mensen met symptomen die kunnen wijzen op kanker (zie hoger)
? mensen die al ooit een darmkanker hebben gehad, die een langdurige chronische darmontsteking hebben, in wiens familie darmkanker voorkomt.
      src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrow.gif externe link : Afbeelding darmkanker (endoscopie)

Behandeling   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   Men schat dat ongeveer de helft van de patiënten sterft aan de ziekte. De genezingskansen hangen zeer sterk af van het ontwikkelingsstadium van de ziekte.

Chirurgie.   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   Chirurgie waarbij het aangetaste deel van de darm wordt verwijderd (colectomie), blijft het enige middel om colonkanker te genezen. Bij het verwijderen van de endeldarm, het laatste stukje van de dikke darm, verwijdert men meestal ook de anus. Dan moet een kunstanus worden aangelegd. Dank zij aangepast hulpmateriaal kan de patiënt een nagenoeg normaal leven. Chemotherapie en radiotherapie   src=http://www.gezondheid.be/picts/blue_arrowUP.gif   . Afhankelijk van het stadium van de kanker op het ogenblik van de operatie, en in geval van uitzaaiïngen buiten de darm, zal chemotherapie en/of radiotherapie worden toegepast. Het is aangetoond dat chemotherapie het verschijnen van metastasen (het optreden van kankergezwellen elders in het ichaam) kan vertragen en in 10% van de gevallen zelfs kan verhinderen.

auteur/bron : Belgische Federatie tegen Kanker   |   verschenen op : 13-12-2001  |   bijgewerkt op : 22-03-2004

 

PROSTAATKANKER.

Wat is prostaatkanker?

De prostaat is een klier van het mannelijk voortplantingsstelsel, die onder de blaas en vóór het rectum ligt (het rectum is het laatste deel van de dikke darm, dat eindigt in de anus). De prostaat is ongeveer zo groot als een walnoot en ze omgeeft een deel van de urinebuis.
Prostaatkanker is een ziekte waarbij zich kwaadaardige cellen vormen in het weefsel van de prostaat. Een kwaadaardige prostaattumor groeit over het algemeen erg traag en veroorzaakt in een vroeg stadium nauwelijks klachten. Prostaatkankercellen kunnen zich verspreiden via het lymfestelsel of via het bloed en zo uitzaaiingen vormen, bijvoorbeeld in de lymfeklieren en het bot.

Het Vlaams Kankerregistratienetwerk registreerde in 1999 in Vlaanderen 4.429 nieuwe gevallen van prostaatkanker. Prostaatkanker is daarmee in Vlaanderen de meest voorkomende kanker bij mannen. Het is een typische ouderdomsziekte: de gemiddelde leeftijd bij de diagnose is 71 jaar.

Onderzoeken?

De volgende klachten of symptomen kunnen wijzen op prostaatkanker: verminderde of onderbroken urinestroom, vaak moeten plassen, moeilijk plassen, pijn of branderig gevoel bij het plassen of de ejaculatie, bloed in de urine of het zaad... Deze symptomen zijn echter bijna nooit specifiek voor kanker (moeilijk plassen is bijvoorbeeld vaker het gevolg van een goedaardige vergroting van de prostaat). Prostaatkanker veroorzaakt bovendien nauwelijks klachten, ook niet in de gevorderde stadia.

Om prostaatkanker op te sporen, kunnen de volgende onderzoeken gebeuren. Een rectaal onderzoek is het aftasten van de prostaat via de anus. Zo kan de arts voelen of de prostaat verhard is of vergroot, wat mogelijk kan wijzen op kanker. Ook een PSA-test kan soms een aanwijzing geven voor de aanwezigheid van een kwaadaardig prostaatgezwel. PSA of prostaatspecifiek antigen is een stof die met een eenvoudige test opgespoord kan worden in het bloed. Een te hoog PSA-gehalte in het bloed kán een aanwijzing zijn voor prostaatkanker. Een stijging van de PSA-waarde kan echter ook wijzen op andere, onschuldigere prostaatkwalen zoals een goedaardige prostaatvergroting of een ontsteking. Daarom is verder onderzoek noodzakelijk bij een verhoogde PSA-waarde.
Als er mogelijk sprake is van kanker, zal een weefselonderzoek gebeuren door middel van een transrectale biopsie . Daarbij wordt, meestal onder plaatselijke verdoving, via het rectum met een naald een stukje weefsel uit de prostaat verwijderd om te onderzoeken in het laboratorium.

Om de biopsie nauwkeuriger uit te voeren, wordt de prostaat het beste met een echografie in beeld gebracht. Een echografie maakt gebruik van geluidsgolven om de organen op een beeldscherm zichtbaar te maken.
Als de diagnose prostaatkanker gesteld is, willen de artsen weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Dat helpt hen mee de behandeling te bepalen. Daarom kunnen nog een CT-scan (een zeer gedetailleerde röntgenfoto) van de buik of het bekken volgen en een botscan (of isotopenscan: onderzoek na inspuiting met een licht radioactieve stof om te zien of er uitzaaiingen in het bot zijn).

Behandeling?

De behandelende arts-specialist houdt voor de keuze van de behandeling vooral rekening met de uitgebreidheid van de tumor, de algemene conditie en de leeftijd van de patiënt. Als de ziekte beperkt is gebleven tot de prostaat en niet is uitgezaaid, zal de specialist wellicht een curatieve behandeling voorstellen. Een curatieve behandeling is gericht op de genezing van de patiënt.
Bij een uitgezaaide prostaatkanker zal een behandeling voorgesteld worden die de ziekte remt en/of klachten vermindert.

De meest toegepaste behandelingen van prostaatkanker zijn op dit moment een operatie (chirurgie), bestraling (radiotherapie) en hormonale therapie. Een genezende behandeling kan bestaan uit een operatie en/of bestraling, al dan niet gecombineerd met een hormonale behandeling. Hormonale therapie op zich (zonder andere behandeling) kan de tumor wel verkleinen of trager doen groeien, maar geneest de kanker niet. In bepaalde gevallen is afwachten hoe de kanker evolueert eveneens een mogelijkheid. Chemotherapie, de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen, wordt bij prostaatkanker soms toegepast, maar de resultaten zijn erg wisselvallig.
Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk. Aarzel in dat geval niet uw arts uitvoerig vragen te stellen over de voor- en nadelen van de verschillende behandelingen.

Chirurgie

Bij een operatie wordt de prostaat volledig weggenomen. In medische termen heet deze ingreep een radicale prostatectomie. Deze behandeling wordt meestal gebruikt als men veronderstelt dat de kanker niet is uitgezaaid.

Complicaties
Radicale prostatectomie is technisch een delicate operatie, die nogal wat vaardigheid vergt van de chirurg. De belangrijkste complicaties zijn impotentie en urineverlies (incontinentie).
Aan weerszijden van de prostaat lopen zenuwen die essentieel zijn om een erectie te krijgen. De tumor bevindt zich meestal dicht in de buurt van deze zenuwen. Afhankelijk van de grootte van de tumor kan de chirurg meestal inschatten of hij één of beide zenuwen kan sparen. Bij jonge patiënten die aan beide zijden zenuwsparend geopereerd worden, zal de grote meerderheid van de mannen de potentie na een negental maanden herwinnen. Worden de zenuwen aan beide zijden verwijderd, dan is de patiënt meteen na de operatie impotent en dat blijft zo. Er bestaat ook een kleine kans dat mannen hun blaas (tijdelijk) niet volledig onder controle hebben. Het risico op deze problemen neemt toe naarmate de patiënt ouder is.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met radioactieve stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) precies gericht op de plaats van het gezwel of de plaats waar het gezwel zich bevond. Radiotherapie kan als genezende behandeling worden gebruikt om een beperkte tumor te behandelen. Als de ziekte verder gevorderd is, kan radiotherapie gebruikt worden om de tumor te verkleinen en om symptomen te verlichten, zoals plas- of stoelgangproblemen of pijn als gevolg van uitzaaiingen in de botten.
Bij een prostaattumor kan uitwendig of inwendig bestraald worden.

Uitwendige bestraling
Bij uitwendige bestraling wordt bestraald vanuit een machine buiten het lichaam. Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt, en ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. Meestal wordt de patiënt minstens zeven weken lang dagelijks een paar minuten bestraald. Een opname in het ziekenhuis is niet nodig, en de behandeling is pijnloos.

Complicaties
Bestraling van de prostaat heeft ook invloed op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Tijdens en nog even na de behandeling komen (tijdelijke) blaasklachten, slijmerige diarree of pijn bij de ontlasting voor. Ook vermoeidheid is een vaak voorkomende bijwerking van radiotherapie. In de loop van de jaren na de behandeling kunnen mannen door bestraling ook stilaan impotent worden. Dit kan soms verholpen worden met medicijnen.

Inwendige bestraling
Bij inwendige bestraling, ook brachytherapie genoemd, wordt materiaal dat bestraling produceert, rechtstreeks ingebracht in de prostaat. Die radioactieve zaadjes geven daar een hoge dosis straling af. Deze techniek is op zich ingrijpender dan uitwendige bestraling aangezien de ingreep onder verdoving plaats heeft (soms algemene verdoving, soms lokaal). Inwendige bestraling wordt enkel toegepast bij beperkte tumoren in een vroeg stadium.

Complicaties
Mannen die inwendig bestraald werden, kunnen wel eens plasklachten krijgen doordat de prostaat zwelt door inplanting van de zaadjes. Daarom komen voor deze behandeling enkel mannen in aanmerking met een kleine prostaat en zonder grote plasproblemen. Sommige patiënten krijgen na verloop van tijd ook potentiestoornissen.

Hormoontherapie

Hormoontherapie bestaat nu meestal uit geneesmiddelen die de patiënt krijgt via inspuitingen of in pilvorm. Vroeger bestond hormoontherapie uit het chirurgisch wegnemen van het deel van de teelballen waar het mannelijke hormoon (testosteron) wordt geproduceerd.
De bedoeling van hormoontherapie is om de werking van het mannelijke hormoon, dat prostaatkanker kan helpen groeien, te verminderen. Dat kan door het testosteron weg te nemen of door de werking ervan te blokkeren. Hormonale therapie kan de tumor verkleinen of trager doen groeien, maar het geneest de kanker niet. Hormonale therapie kan worden gebruikt in de volgende gevallen:

als aanvulling op een bestralingsbehandeling of een operatie bij mannen met een verhoogd risico op herval als eerste behandeling bij patiënten die geen operatie of bestraling kunnen ondergaan (omdat ze bijvoorbeeld andere ernstige gezondheidsproblemen hebben) of die niet genezen kunnen worden met een operatie of bestraling omdat de kanker uitgezaaid is. als een eerste behandeling (operatie of bestraling) niet succesvol was of als de kanker terugkomt

Nevenwerkingen
De nevenwerkingen zijn afhankelijk van het soort hormoonbehandeling. Zijn mogelijk: een verminderde libido (zin in seks), impotentie, algemene moeheid, plotse warmteopwellingen, een kleine gewichtstoename, het opzwellen van de borsten en pijnlijke tepels.

Afwachten

Een arts kan in bepaalde gevallen bovendien adviseren om af te wachten en zorgvuldig te controleren hoe de kanker evolueert. Deze optie (ook watchful waiting genoemd) wordt soms aanbevolen bij kleine, weinig agressieve tumoren, voornamelijk bij oudere mannen (boven de 70) met mogelijk andere gezondheidsproblemen.
Soms kiezen mannen voor deze optie omdat de mogelijke nevenwerkingen van een andere behandeling, zoals impotentie, niet opwegen tegen de voordelen van die behandeling. De arts zal in deze gevallen geregelde controles adviseren (met een klinisch onderzoek en PSA-onderzoek), om te zien wanneer een eventuele behandeling noodzakelijk wordt.

Na de behandeling?

Geneeskansen

De kans op genezing en herstel hangt bij kanker van veel dingen af: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd van de patiënt, de grootte van de tumor, of er al dan niet uitzaaiingen zijn, van de behandeling enz. Bij kanker wordt vaak gesproken in termen van vijfjaarsoverleving, dit is het gemiddelde percentage patiënten dat vijf jaar na de diagnose nog leeft.
Bij een niet-uitgezaaide prostaatkanker die curatief behandeld wordt, ligt de vijfjaarsoverleving tussen de 80 en 90 procent. Algemeen geldt: hoe kleiner de tumor en hoe vroeger ontdekt, hoe beter de kansen. Als er uitzaaiingen zijn op afstand, is de vijfjaarsoverleving veeleer beperkt.
Hou er echter rekening mee dat elke situatie uniek is en dat de overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts, hij kent uw situatie het best.

Nazorg

Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de medische behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden.
Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Hulp bij de praktische én bij de emotionele aspecten van de ziekte zijn vaak welkom. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk. Het begrip nazorg houdt dan ook veel in: medische begeleiding, psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.
Deel van de nazorg is een geregelde medische controle (bloedafname, rectaal onderzoek en PSA-onderzoek), vooral met de bedoeling een mogelijk herval zo snel mogelijk op te sporen en te behandelen.
Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij kent uw ziekte en het verloop immers het best. Verliest u urine of heeft u erectieproblemen, aarzel niet om hem er alles over te vragen. Dit zijn veel voorkomende medische problemen, waarvoor er mogelijk oplossingen zijn.
Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere prostaatkankerpatiënten. Of misschien heeft u nood aan een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek? Aarzel niet en bel de Vlaamse Kankertelefoon : 078/150.151. U kan er ook informatie krijgen over verdere begeleiding van patiënten, over contact met lotgenoten (bijvoorbeeld via zelfhulpgroepen), sociale voorzieningen voor patiënten, aanvullende behandelingsmethoden, palliatieve zorg enz.

 

LONGKANKER.

Wat is longkanker?

Longkanker is een kwaadaardig gezwel in de longen, dat zich snel kan verspreiden naar andere lichaamsdelen. Het is een levensbedreigende ziekte omdat ze in een vroeg stadium nauwelijks symptomen veroorzaakt en er vaak al uitzaaiingen zijn op het moment dat de ziekte door een arts wordt vastgesteld.
Er zijn grosso modo twee grote soorten longkanker, afhankelijk van hoe de cellen er onder de microscoop uitzien: kleincellige en niet-kleincellige. De twee soorten groeien en zaaien zich op een andere manier uit, en worden dan ook anders behandeld. Kleincellige longkanker wordt ook oat cell cancer genoemd. Deze kanker groeit over het algemeen sneller dan niet-kleincellige longkanker en kan zich ook sneller uitzaaiien naar de lymfeklieren en andere organen zoals de hersenen, de lever en de botten. Niet-kleincellige longkanker komt vaker voor dan kleincellige: ongeveer 10 à 20% van alle longkankers zijn van het kleincellige type.

Het Vlaams Kankerregistratienetwerk registreerde in 1999 in Vlaanderen 3.443 nieuwe gevallen van longkanker. Longkanker is daarmee de op een na meest voorkomende kanker bij mannen (na prostaatkanker), en de vijfde kanker bij vrouwen. Longkanker is zelfs de meest voorkomende kanker bij mannen tussen 45 en 59 jaar. Het aantal mannen dat aan de ziekte sterft, daalt de laatste jaren; het aantal vrouwen stijgt echter (bron: Vlaamse Gezonheidsindicatoren 1999).

Onderzoeken?

De meeste longkankers veroorzaken geen symptomen in een vroeg stadium, waardoor de ziekte pas laat ontdekt wordt, vaak als er al uitzaaiingen zijn. Een aantal symptomen kunnen toch op longkanker wijzen: een aanhoudende hoest, constante pijn in de borst, kortademigheid, heesheid, bloedfluimen, gewichtsverlies of een vaak terugkerende longontsteking of bronchitis. De huisarts zal een patiënt als hij het nodig acht doorverwijzen voor verder onderzoek.

Een arts kan röntgenfoto's van de longen laten nemen (ook thoraxfoto genoemd) of scans. Er zijn verschillende soorten scans: een CT-scan (zeer gedetailleerde röntgenfoto's van het lichaam), een MRI (magnetic resonance imaging, beelden van het inwendige lichaam gemaakt met een sterke magneet en radiogolven) of een PET-scan (positron emission tomography, waarbij een radioactieve vloeistof ingespoten wordt om bepaalde delen van de longen beter zichtbaar te maken op foto). Daarnaast kunnen longkankercellen opgespoord worden met een sputumonderzoek, het onderzoek onder de microscoop van opgehoest slijm. Ter bevestiging van de diagnose is altijd een biopsie nodig. Bij een biopsie wordt met een kleine ingreep een stukje weefsel uit de long verwijderd en in het laboratorium onderzocht. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of iemand kanker heeft. Weefsel wegnemen kan met een buisje door de luchtpijp (bronchoscopie) of met een naald (naaldbiopsie of longpunctie ).

Als de diagnose longkanker gesteld is, willen de artsen weten in welk stadium de ziekte zich bevindt, of de kanker zich uitgezaaid heeft en zo ja, naar welke lichaamsdelen. Het stadium van de ziekte helpt de artsen mee de behandeling te bepalen. Daarom volgen nog één of meer van de volgende onderzoeken: een CT-scan, een MRI, een mediastinoscopie of mediastinotomie (onderzoek onder volledige verdoving waarbij via een buisje lymfeklierweefsel bekeken en weggenomen wordt uit het midden van de borstkas (het mediastinum), om te zien of de kanker zich uitgezaaid heeft naar de lymfeklieren in de borstkas), een botscan (om te zien of er uitzaaiingen zijn in de botten), een echografie of CT-scan van de lever, een PET-scan, een ademhalingstest en bloedtesten.

Behandeling?

Longkanker kan behandeld worden met een operatie om de kanker weg te snijden (chirurgie), met medicijnen (chemotherapie) en/of bestraling (radiotherapie). De behandelende arts zal meestal een combinatie van deze verschillende methoden adviseren, afhankelijk van de aard en locatie van de tumor, de uitgebreidheid, de algemene conditie en de leeftijd van de patiënt. De behandeling van longkanker heeft in de meeste gevallen als doel de ziekte onder controle te houden en/of de levenskwaliteit van de patiënt te verbeteren door de ziektesymptomen te bestrijden. Men noemt dit een palliatieve behandeling. Een kleiner aantal patiënten krijgt een behandeling gericht op genezing (een curatieve behandeling).

De behandelende arts kan een patiënt vragen om deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek (ook een klinische studie of trial genoemd). Voor patiënten betekent de deelname aan een studie vaak een extra behandelingsmogelijkheid. In klinische studies testen artsen of een nieuw geneesmiddel of een nieuwe behandeling veilig is en betere resultaten oplevert dan de bestaande behandelingen. Een patiënt doet echter alleen maar mee als hij daar uitdrukkelijk toestemming voor geeft.

Chirurgie

Afhankelijk van het soort kanker en het stadium van de ziekte, kan de longtumor, met een marge gezond weefsel en vaak ook enkele lymfeklieren, chirurgisch verwijderd worden. Bij de operatie kan een klein stuk van de long weggenomen worden, één longkwab (deel van een long) of een hele long. Sommige longtumoren kunnen door hun ligging of door de grootte niet operatief verwijderd worden. Of een patiënt al dan niet geopereerd kan worden, hangt ook af van zijn algemene toestand.
Chirurgie, al dan niet aangevuld met radio- en/of chemotherapie, is de meest gebruikelijke manier om niet-kleincellige longkanker te behandelen. Bij kleincellige longkanker wordt zelden chirurgie gebruikt.

Bijwerking
Een longoperatie is een ingrijpende operatie. Als een hele long of een deel weggenomen is, vult de vrijgekomen ruimte in de borstkas zich met vocht. Vaak is de hulp van een kinesitherapeut nodig om weer te leren diep te ademen en slijm op te hoesten. Het kan weken tot maanden duren voor een patiënt zijn kracht en energie terugheeft. Patiënten bij wie de longen (los van de kanker) niet in optimale conditie verkeren (bijvoorbeeld door chronische bronchitis, wat veel voorkomt bij rokers), kunnen na de operatie kortademig worden.

Chemotherapie

De naam chemotherapie verwijst naar de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen. De medicijnen worden via de mond ingenomen en/of rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een injectie of met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en ook kankercellen in metastasen op afstand kunnen bereiken.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een cocktail) van celremmende geneesmiddelen (cytostatica) voorgeschreven.
Chemotherapie is de meest toegepaste behandeling van alle stadia van kleincellige longkanker. Chemotherapie kan ook kankercellen buiten de longen treffen, bijvoorbeeld in de lever. Met chemotherapie kunnen ook symptomen van de ziekte verzacht worden, zoals bijvoorbeeld hoesten en benauwdheid.

Bijwerkingen
Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, ontstoken mond, verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen,... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de medicijnen, de hoeveelheid geneesmiddelen en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met radioactieve stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) precies gericht op de plaats van het gezwel of de plaats waar het gezwel zich bevond. De bestraling kan van een machine buiten het lichaam komen (uitwendige bestraling) of van radioactief materiaal dat in de tumor wordt ingebracht (inwendige bestraling of brachytherapie). Longkanker wordt meestal uitwendig bestraald.
Radiotherapie is bij longkankerpatiënten soms de enige behandeling. Andere patiënten krijgen bestraling in combinatie met chemotherapie en/of chirurgie. Zo worden patiënten na een operatie soms bestraald om kankercellen te vernietigen die nog in de long zijn achtergebleven. Bij patiënten met kleincellige longkanker worden ook de hersenen soms bestraald, ook al zijn daar geen kankercellen te vinden. Deze bestraling dient om te voorkomen dat er zich uitzaaiingen vormen in de hersenen.
Radiotherapie kan ook worden gebruikt als palliatieve behandeling: om bijvoorbeeld klachten als bloed opgeven, hoesten en benauwdheid te verminderen of om pijn te verzachten.
Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt, en ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos.

Bijwerkingen
Bestraling van de long heeft ook invloed op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. De huid kan bijvoorbeeld roder en gevoelig worden. Als de slokdarm in het bestraalde gebied ligt, kunnen ook slikproblemen voorkomen. Ook misselijkheid, vermoeidheid en een verminderde eetlust zijn vaak voorkomende bijwerkingen. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal een tijd na het beëindigen van de therapie. Wie op het hoofd bestraald wordt (voor hersenmetastasen), kan last hebben van hoofdpijn, vermoeidheid, misselijkheid en blijvend haarverlies op de bestraalde plaats.

Andere medische behandelingen

Andere behandelingen zijn bijvoorbeeld lasertherapie (plaatselijk vernietigen van tumorweefsel met laserlicht) of targettingtherapie (algemene behandeling met medicijnen, meer specifiek doelgericht op tumorcellen alleen).

Na de behandeling?

Geneeskansen

De kans op genezing hangt bij kanker van veel dingen af: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij de diagnose, van de leeftijd en algemene toestand van de patiënt, de grootte van de tumor, of er al dan niet uitzaaiingen zijn, van de behandeling enz. Aangezien longkanker vaak pas wordt vastgesteld als de ziekte zich al uitgezaaid heeft, zijn veel behandelingen gericht op het remmen van de ziekte en het verlichten van symptomen.

Nazorg

Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de medische behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Hulp bij de praktische én bij de emotionele aspecten van de ziekte is vaak welkom. Het begrip nazorg houdt dan ook veel in: medische begeleiding, psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.
Deel van de nazorg is een geregeld medisch onderzoek (bloedafname, röntgenfoto's...) om te zien of de ziekte onder controle is. Praat met uw behandelend arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Aarzel niet om hem alles te vragen, hoe onbenullig het ook mag lijken. Hij kent uw ziekte en het verloop immers het best. Hij kan ook advies geven over verdere behandelingen, bijvoorbeeld om symptomen van de ziekte te bestrijden.
Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere longkankerpatiënten. Of misschien heeft u nood aan een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek? Aarzel niet en bel de Vlaamse Kankertelefoon : 078/150.151. U kan er ook informatie krijgen over verdere begeleiding van patiënten, over contact met lotgenoten (bijvoorbeeld via zelfhulpgroepen), sociale voorzieningen voor patiënten, alternatieve behandelingsmethoden, palliatieve zorg enz.

 

BLAASKANKER.

Wat is blaaskanker?

In de blaas wordt urine opgevangen die via de urineleiders uit de nieren komt. De urine verlaat het lichaam via de urinebuis (urethra). Nieren, urineleiders, blaas en urinebuis vormen samen de urinewegen. Blaaskanker is een ziekte waarbij zich kwaadaardige cellen vormen in de blaas. Er zijn verschillen types blaastumoren, die genoemd worden naar de cellen waarin ze ontstaan. De meest voorkomende blaaskanker gaat uit van het slijmvlies van de blaas. Omdat slijmvliezen overal in de urinewegen aanwezig zijn, kunnen er op verschillende plaatsen in de urinewegen tumoren voorkomen.

Een tumor die beperkt blijft tot het slijmvlies van de blaaswand, is een oppervlakkige blaaskanker. De tumor kan echter doorgroeien in de diepere lagen en in de spierlaag van de blaaswand. We spreken dan van een invasieve blaaskanker. Het risico is ook groter dat deze tumoren doorgroeien in de lymfeklieren en via het bloed in andere organen.

Het Vlaams Kankerregistratienetwerk registreerde in 1999 in Vlaanderen 990 nieuwe gevallen van blaaskanker. Blaaskanker is daarmee in Vlaanderen de vierde meest voorkomende kanker bij mannen. Blaaskanker komt ruim vier keer meer voor bij mannen dan bij vrouwen. De ziekte treft vooral mensen van boven de 60 jaar.

Onderzoeken?

In een vroeg stadium veroorzaakt blaaskanker nauwelijks klachten. De volgende klachten of symptomen kunnen wijzen op blaaskanker: bloed in de urine, pijn bij het plassen of vaker moeten plassen dan gewoonlijk. Deze symptomen zijn echter niet altijd specifiek voor blaaskanker, maar het is wel het beste ermee naar de huisarts te gaan. Die zal indien nodig doorverwijzen naar een uroloog.

Om blaaskanker op te sporen, kunnen de volgende onderzoeken gebeuren. Met een urineonderzoek kunnen afwijkende cellen gevonden worden. Daarna is verder onderzoek nodig om te zien waar de tumor zich precies bevindt. Een echografie (onderzoek met geluidsgolven) van de nieren en van een gevulde blaas kan al richtinggevend zijn en is pijnloos. Het meest geschikte onderzoek is de cystoscopie, waarbij de uroloog de blaasholte van binnen bekijkt. Hij doet dat met een cystoscoop, een smalle, bij voorkeur flexibele buis die via de urinebuis in de blaas wordt gebracht. Dat kan onder goede lokale verdoving, hoewel mannen dit over het algemeen iets minder goed verdragen dan vrouwen. Met een cystoscoop kan tegelijkertijd een biopsie genomen worden: stukjes weefsel die worden weggenomen uit de blaas om in het laboratorium op kankercellen te onderzoeken.

Als de diagnose blaaskanker gesteld is, willen de artsen weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Dat helpt hen immers mee de behandeling te bepalen. Daarom kunnen nog een aantal foto's genomen worden: een IVP of IVU (intraveneus pyelogram of intraveneus urogram). Dat zijn röntgenonderzoeken van de urinewegen waarmee de blaas, het nierbekken en de urinewegen duidelijk zichtbaar worden. Dat gebeurt na een intraveneuze inspuiting (een inspuiting in een ader) met een contraststof. Voor oppervlakkige blaaskankers volstaat dit, maar anders zullen ook een CT-scan (computertomografie, of zeer gedetailleerde röntgenfoto?s van het lichaam) of een MRI volgen (magnetic resonance imaging, beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt met een sterke magneet en radiogolven), een longfoto en een botscan (onderzoek na inspuiting met een licht radioactieve stof om te zien of er uitzaaiingen in het bot zijn).

Behandeling?

De meest toegepaste behandelingen van blaaskanker zijn op dit moment een operatie (chirurgie), bestraling (radiotherapie) of een behandeling met medicijnen (chemotherapie en immunotherapie).

De behandelende arts-specialist zal een van deze behandelingen of een combinatie ervan adviseren, afhankelijk van de uitgebreidheid van de tumor en de algemene conditie van de patiënt. Als de ziekte beperkt is gebleven tot de blaas en niet is uitgezaaid, zal de specialist wellicht een curatieve behandeling voorstellen. Een curatieve behandeling is gericht op de genezing van de patiënt. Bij een uitgezaaide blaaskanker zal een palliatieve behandeling voorgesteld worden - dat is een behandeling die de ziekte niet geneest, maar ze remt en/of klachten vermindert.

Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk. Aarzel in dat geval niet uw specialist uitvoerig vragen te stellen over de voor- en nadelen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Chirurgie

Er zijn verschillende soorten operaties bij blaastumoren. Daarbij wordt ofwel de tumor, of een deel van of de hele blaas weggenomen.

Bij een transurethrale resectie (of TUR) brengt de uroloog via een smalle buis een instrument in de blaasholte waarmee hij de tumor verwijdert. Deze zogenaamde endoscopische operatie wordt meestal toegepast en kan voldoende zijn bij oppervlakkige blaaskankers in een vroeg stadium. Om de kans op herval te verminderen, kan een aanvullende behandeling nodig zijn. Dat is meestal een blaasspoeling met geneesmiddelen (cytostatica - of BCG).

Voor verder gevorderde kankers volstaat deze behandeling niet en is een cystectomie nodig. Bij een cystectomie wordt de blaas volledig of gedeeltelijk weggenomen, samen met de lymfeklieren in de buurt. Bij mannen wordt de prostaat het best mee weggenomen. Als bij vrouwen de blaas helemaal weggehaald moet worden, verwijdert de chirurg soms ook de baarmoeder, eierstokken en de voorwand van de vagina die vlak bij de blaas liggen.

Urinestoma 

Als de blaas volledig verwijderd is, moet de urine langs een andere weg afgevoerd worden. Dat kan via een stoma of een vervangblaas. De eenvoudigste en meest toegepaste methode is het aanleggen van een incontinent urostoma.

Bij een incontinent urostoma wordt een soort buisje gemaakt van een stuk uit de dunne darm. Het ene uiteinde van de darm sluit de chirurg af en hierin worden de urineleiders die van de nieren komen ingeplant. Van het andere deel van de darm maakt hij een urostomie of urinestoma - een kunstmatige uitgang waarlangs de urine het lichaam kan verlaten. Op de buik zit een zakje waarin de urine opgevangen wordt. Bij een continent urostoma is geen zakje buiten het lichaam nodig. De chirurg maakt, eveneens van een stuk darm, een reservoir dat afgesloten is met een klep. Dat reservoir moet de patiënt zelf verschillende keren per dag leegmaken met een sonde, een buisje dat hij (meestal via de navel) zelf in het reservoir inbrengt. Dit heet een ?continent? urostoma omdat de patiënt er controle over heeft wanneer hij het reservoir leegmaakt. Een ideale techniek is het aanleggen van een vervangblaas. Ook daarbij wordt van een stuk darm een zak gemaakt om de urine op te vangen, maar die wordt rechtstreeks op de urinebuis aangesloten. De patiënt zal onder andere door kinesitherapie moeten leren hoe hij die nieuwe blaas leegt.

Complicaties

Behalve de specifieke problemen van een stoma (infectie, urinelekken?), is impotentie de belangrijkste complicatie van een blaasverwijdering bij mannen. Als bij de operatie de zenuwen die essentieel zijn om een erectie te krijgen, niet gespaard kunnen worden, verliest de patiënt de mogelijkheid om door een seksuele prikkel een erectie te krijgen. Kan de chirurg één of beide zenuwen sparen, dan zullen de meeste mannen hun potentie na een aantal maanden herwinnen. Maar ook wie erectiestoornissen heeft, kan met behulp van pillen of spuitjes nog seks hebben: de specialist kan u hierover informeren.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met radioactieve stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) precies gericht op de plaats van het gezwel of de plaats waar het gezwel zich bevond.

Bestralen gebeurt veelal bij patiënten die geen operatie kunnen of willen ondergaan of om ernstige symptomen te verlichten. Dit is een palliatieve behandeling - een behandeling die niet meer gericht is op genezen, maar wel op het onder controle houden van de symptomen. Palliatieve radiotherapie kan bijvoorbeeld bloedingen stelpen en pijn verlichten. Bestraling voor of na de operatie gebeurt nog zelden. Bij grote of moeilijk te bereiken tumoren kan radiotherapie voor de operatie de tumor verkleinen, zodat hij beter weg te nemen is.

Bij blaastumoren kan uitwendig of inwendig bestraald worden. Bij uitwendige bestraling wordt bestraald vanuit een machine buiten het lichaam. Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt, en ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. Meestal wordt de patiënt een dertigtal keer dagelijks een paar minuten bestraald. Een opname in het ziekenhuis is niet nodig, en de behandeling zelf is pijnloos. Bij inwendige bestraling, ook brachytherapie genoemd, wordt radioactief materiaal ingebracht in de blaas. Dat radioactieve materiaal geeft daar een hoge dosis straling af. Deze techniek wordt bij blaaskanker maar zelden gebruikt.

Bijwerkingen

Bestraling van de blaas heeft ook invloed op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Als bijwerkingen kunnen vermoeidheid, huidirritatie, blaaskrampen, darmkrampen en diarree voorkomen. Sommige patiënten krijgen na verloop van tijd ook potentiestoornissen.

Chemotherapie

De naam chemotherapie verwijst naar de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen. De medicijnen worden rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en ook kankercellen in uitzaaiingen op afstand kunnen bereiken. Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een ?cocktail?) van celremmende geneesmiddelen (cytostatica) voorgeschreven.

Deze intraveneuze chemotherapie wordt vooral gebruikt bij een uitgezaaide blaaskanker. Het kan uitzaaiingen soms verkleinen, of symptomen van een gevorderde kanker verlichten. Daardoor kan de overleving verlengd worden en de levenskwaliteit verbeteren. Tegenwoordig wordt ook chemotherapie gegeven vóór chirurgie bij patiënten met een gevorderde tumor. Ook na chirurgie kan chemotherapie nuttig zijn bij patiënten met een hoog risico op herval.

Bepaalde vormen van chemotherapie worden rechtstreeks in de blaas ingebracht, langs een buisje door de urinebuis. De blaas wordt hierbij ?gespoeld? met cytostatica. De behandeling wordt enkel gebruikt bij oppervlakkige blaaskankers in een vroeg stadium. Het kan helpen om de tumor minder kans te geven om weer aan te groeien of terug te komen. Een blaasspoeling na het endoscopisch verwijderen van de tumor kan zo de kans op genezing verbeteren en de kans op herval verminderen.
Bij een blaasspoeling circuleren de medicijnen niet door het hele lichaam, waardoor er minder kans bestaat op ongewenste neveneffecten. Wel kunnen er plaatselijke bijwerkingen optreden zoals bloed in de urine of pijn bij het plassen.

Bijwerkingen

Intraveneuze chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: diarree, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, ontstoken mond, verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, vermoeidheid... Ze verschillen van persoon tot persoon en hangen onder andere af van de medicijnen, de dosis en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen.

Immunotherapie

Immunotherapie is een behandeling die onze natuurlijke afweer of immuniteit stimuleert om de kanker aan te vallen. Immunotherapie is een behandeling in volle ontwikkeling. Ze speelt op dit moment maar een kleine rol bij de behandeling van de meest voorkomende kankers, maar in bepaalde gevallen wordt het al gebruikt.
Zo wordt bij blaaskanker in een vroeg stadium BCG gebruikt, een vaccin waarmee de blaas (meerdere keren) gespoeld wordt. BCG lijkt het lichaam te stimuleren om de blaaskankercellen aan te vallen.

Bijwerkingen

Een blaasspoeling met BCG kan grieperige symptomen veroorzaken en, net als een blaasspoeling met chemotherapie, pijn bij het plassen. Na de spoelingen verdwijnen deze bijwerkingen meestal vrij snel.

Na de behandeling?

Geneeskansen

De kans op genezing en herstel hangt bij kanker af van veel dingen: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd van de patiënt, de grootte van de tumor, of er al dan niet uitzaaiingen zijn, van de behandeling enz. Uw behandelende arts kan meer uitleg geven over al deze factoren. Algemeen geldt dat hoe kleiner de tumor en hoe vroeger ontdekt, hoe beter de kansen.
Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij kent uw situatie het best.

Nazorg

Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden. Of hoe het nu in het dagelijkse leven verder moet met een blaasstoma.
Deel van de nazorg is een geregelde medische controle (bloedafname, echografie van de lever, röntgenonderzoek van de longen), vooral met de bedoeling een mogelijk herval zo snel mogelijk op te sporen en dan hopelijk weer succesvol te kunnen behandelen.

Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Hulp bij de praktische én bij de emotionele aspecten van de ziekte zijn vaak welkom. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk. Het begrip ?nazorg? houdt dan ook veel in: medische begeleiding, psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.

Vragen

Uw arts

Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij kent uw ziekte en het verloop immers het best.  Verliest u urine of heeft u erectieproblemen, aarzel niet om hem er alles over te vragen. Dit zijn veel voorkomende medische problemen, waarvoor er mogelijk oplossingen zijn.

Uw omgeving en lotgenoten

Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere blaaskankerpatiënten.

BAARMOEDERHALSKANKER

Baarmoederhalskanker : beter begrijpen om beter te voorkomen ! Baarmoederhalskanker is, na borst- en longkanker, een van de vaakst voorkomende vormen van kanker bij vrouwen. Het is bekend dat het vroegtijdig opsporen ervan een van de belangrijkste factoren is om de mortaliteit te doen dalen ; daarom wordt er in talrijke studies naar gestreefd een robotfoto te maken van de vrouwen met een hoog risico om zo gerichter werk te kunnen maken van de preventie en de opsporing van deze kanker.

Baarmoederhalskanker is, na borst- en longkanker, een van de vaakst voorkomende kankers bij vrouwen. Elk jaar worden er in België 600 nieuwe gevallen gediagnosticeerd, en worden er 150 overlijdens per jaar aan toegeschreven.

Deze kanker kent een traag verloop : de kanker kan 10 tot 15 jaar nodig hebben om zich te ontwikkelen en vaak komen de symptomen pas aan het licht wanneer de kanker zich verspreid heeft (d.w.z. wanneer de vagina of zelfs de blaas reeds aangetast zijn). Vandaar dat het van het allergrootste belang is om de kanker via een uitstrijkje op te sporen om er snel iets te kunnen aan doen.

Risicofactoren

Om beter de patiëntendoelgroep te bepalen en het ziekteverloop te begrijpen om het te kunnen behandelen, hebben talrijke studies ? zogenoemde epidemiologische studies ? het risicoprofiel van de ziekte tot doel.
Het is bekend dat de erfelijkheidsfactor belangrijk is : antecedenten in de familie verhogen het risico, hoewel in minder belangrijke mate dan voor borstkanker het geval is.

Een Amerikaanse studie die onlangs gepubliceerd werd in het ?Journal of the National Cancer Institute?, met een follow-up van 18 jaar !, komt tot het besluit dat er één zeer belangrijke risicofactor is : obesitas.

Vrouwelijke vetzuchtpatiënten lopen een risico op kanker van de baarmoederhals dat 2 tot 4 keer hoger ligt dan andere vrouwen. Daarenboven is gebleken dat vrouwen die per dag meer dan één uur fysische activiteit verrichten hun risico met 50% doen dalen in vergelijking tot vrouwen die slechts een half uur per dag « bewegen ».

Een andere belangrijke Europese epidemiologische studie (universiteit van Maastricht), met een follow-up van 20 jaar, komt tot een conclusie die in dezelfde lijn ligt : « het risico op baarmoederhalskanker is hoger bij vrouwen met een overgewicht of vrouwen die te weinig fysische activiteit verrichten. » Een andere, meer verrassende conclusie, wordt door deze studie bevestigd : vrouwen met grote gestalte lopen een groter risico ; vrouwen die langer zijn dan 1,75 m lopen 2,5 keer meer risico dan vrouwen die minder dan 1,60 m groot zijn.

Opsporing

Als er een tumor wordt ontdekt gaat men het vaakst over tot de verwijdering van de baarmoeder (hysterectomie) en tot de resectie van de eierstokken. De gynaecologen schatten de kans op genezing op 60- 75% indien de tumor zich beperkt tot de baarmoeder ; wat nogmaals het belang bewijst van een vroegtijdige opsporing ! We kunnen er dus niet genoeg op wijzen hoe belangrijk het is geregeld op controle te gaan bij de gynaecoloog (zelfs als alles goed gaat) vanaf de puberteit.

Toch kunnen we eindigen met goed nieuws: een team Belgische onderzoekers van de universiteit van Leuven heeft aangekondigd dat ze een vaccin tegen baarmoederhalskanker ontdekt heeft . Het vaccin wordt momenteel getest bij vrijwilligers en er bestaat goede hoop, indien de veelbelovende resultaten bevestigd worden, dat dit vaccin binnen nu en twee jaar op de markt wordt gebracht.

Dr Jean-Luc Schouveller.