Webfotoclub 't Doôrkiekje

Communities

ZeelandNet

Webfotoclub 't Doôrkiekje

Welkom op de Webfotoclub 't Doôrkiekje

71.105 bezoekers 51 leden Log in

Experimenteren met de manuele functies van uw foto


Experimenteren met de manuele functies van uw fototoestel

Automatische functies nemen vandaag veel denkwerk over van de fotograaf. Toch loont het de moeite om ook eens met de manuele opties van de camera te experimenteren. Met name bij een spiegelreflex kunnen veel automatische instellingen handmatig worden gewijzigd. Vier technieken op een rij.

1 Vormgeven met scherptediepte

Werken met scherptediepte in een foto laat je toe om een onderwerp te benadrukken of om een beeld suggestief te maken. Je bepaalt zelf welk deel van de foto je scherp wil afbeelden. Het diafragma speelt daarbij een hoofdrol. Een groot diafragma (f/2.8 bijvoorbeeld) laat veel licht door. Het gevolg daarvan is minder scherptediepte. Een kleiner bereik op de foto zal scherp worden afgebeeld. Een klein diafragma (f/11 bijvoorbeeld) laat weinig licht door en zorgt daarentegen voor een grote scherptediepte.

Wil je dat het onderwerp zich voor een onscherpe achtergrond bevindt, dan kan je dit bereiken door scherp te stellen op het onderwerp en een zo groot mogelijk diafragma te kiezen waarbij de camera de passende sluitersnelheid kiest. Dit geeft vooral bij portretfoto’s een beter resultaat. Het leidt de aandacht naar het onderwerp door eventueel storende elementen in het beeld onscherp af te beelden. Een landschapsfoto vereist dan weer een klein diafragma voor scherpte in het ganse beeldbereik.

Het gebruikte objectief speelt ook een rol. Een foto van een landschap gemaakt met een groothoeklens beschikt doorgaans al over een grote scherptediepte.

Bij het gebruik van een telelens is dat beduidend minder, maar het kan nog steeds worden beïnvloed. Het schijnbare effect vergroot dus naarmate de brandpuntsafstand groter wordt. Een diafragma f/2.8 bij 50mm geeft in dezelfde compositie een minder wazige achtergrond dan f /2.8 bij 100mm. Door op die manier te variëren met diafragmawaarden en brandpuntsafstand kunnen delen van het beeld benadrukt worden.

2 Spelen met lichtgevoeligheid

Naast sluitertijd en diafragma is er nog een instelling die de belichting beïnvloedt: de lichtgevoeligheid of ISO-waarde. Deze waarde geeft de lichtgevoeligheid van de sensor weer en is overigens gelijk aan de ASA-waarde op film. Iedere verdubbeling van de ISO-waarde betekent een verdubbeling van de lichtgevoeligheid. Bij een lage waarde als ISO50 of 100 zal de belichting langer duren dan bij ISO400 of 800. De juiste belichtingstijd hangt ook af van het aanwezige licht en het gekozen diafragma.

Net als bij het wijzigen van sluitertijd en diafragma kan je ook met ISO-waarden een ‘stop’ winnen of verliezen. Als je bijvoorbeeld kiest voor ISO100 en diafragma f/8 en je camera kiest daarbij een sluitertijd van 1/30sec, dan is de kans groot dat je foto bewogen zal zijn. Verdubbel je de waarde naar ISO200, dan is de kans op beweging al veel kleiner omdat de sluitertijd dan korter zal zijn. Dit spelen met gevoeligheidswaarden is vooral interessant in die gevallen waar geen flitslicht mag of kan gebruikt worden.

Maar het verhogen van de gevoeligheidswaarde heeft ook een keerzijde. De kans op ruis neemt dan toe. Het effect is zichtbaar als kleurige stipjes in de donkere delen van de foto en wordt meestal zichtbaar vanaf ISO400 en hoger. De gevoeligheid voor ruis bepaalt hoelang je kan fotograferen zonder statief met een aanvaardbaar resultaat. Het instellen van de ISO-waarde gebeurt met een knop of via het menu en kan bij een digitaal toestel bij elke opname gewijzigd worden.

3 Belichting compenseren

Soms kan het licht zo sterk zijn dat de camera daarop reageert door te gaan onderbelichten. Voorbeelden daarvan zijn foto’s gemaakt op een zomers strand en een besneeuwde skipiste. Door gebruik te maken van belichtingscompensatie kan je ingrijpen door de belichting die de camera kiest te verhogen of verlagen. Deze functie wordt belichtingscompensatie genoemd en wordt uitgedrukt in EV (exposure value).

De meeste digitale camera’s hebben de mogelijkheid om via een +/- knop de gemeten belichting aan te passen met meestal twee waarden of ‘stops’ en dit in stappen van 1/2 of 1/3.

In het voorbeeld van een zonovergoten strand kan de belichting aangepast worden door een compensatie van +1 te kiezen om een juiste belichting te krijgen. De camera zal hierbij 1 waarde langer gaan belichten dat er gemeten werd. Bij erg donkere situaties gebeurt net het omgekeerde. Hier is een correctie van –1/2 of –1 op zijn plaats. Het is een kwestie van experimenteren om tot een aanvaardbaar resultaat te komen.

Met belichtingscompensatie kan je ook creatief uit de hoek komen. Wolkenpartijen worden dikwijls sterker afgebeeld als er een halve of een ganse stop wordt onderbelicht (EV –1/2 of –1). Het omgekeerde kan bij een portret leiden tot een feeëriek beeld (EV +1/2 of +1). Belichtingscompensatie werkt omgekeerd evenredig voor de twee beeldgebieden licht en donker. Je kiest immers voor een correcte belichting van je onderwerp. De omgeving wordt dan ondergeschikt en zal in bepaalde mate over- of onderbelicht worden

4 Invulflitsen

Het lijkt niet logisch om te flitsen bij klaarlichte dag, maar in een aantal gevallen is het toch nuttig om de ingebouwde of extra flitser bij je camera te gebruiken. Dat is met name het geval bij tegenlichtopnamen. Door het extra flitslicht worden harde schaduwen opgeheven en komen achtergrond en onderwerp meer in balans. Denk maar aan foto’s van mensen in tegenlicht of voor een raam, waarbij alle details verloren gaan. In deze situaties zal de camera vooral de achtergrond goed belichten. Het resultaat is dat het onderwerp te donker wordt afgebeeld of zelfs in een silhouet verandert.

Door de flits te gebruiken zal niet alleen de achtergrond goed worden belicht, maar ook het onderwerp. De sterkte van de flits is afhankelijk van de afstand. Sta je te dichtbij, dan kan dit leiden tot overbelichting. Te grote afstand doet het effect dan weer teniet.

Tracht ook om reflectie van de flits in een vensterraam te vermijden door onder een hoek te fotograferen. Bij spiegelreflexcamera’s met een losse flitser kan de sterkte van het flitslicht gemakkelijk worden ingesteld. Dat gaat van één derde, de helft tot zelfs één achtste van de intensiteit. Zo kan je voor een meer natuurlijk effect de flitser een weinig laten onderbelichten.

Bij compactcamera’s zal de ingebouwde flitser meestal automatisch afgaan in donkere situaties. Tegenlicht zal niet als dusdanig herkend worden en de flits zal dan ook niet werken. Afhankelijk van het cameratype kan de flitser geactiveerd worden via een flitsknop of een scènemenu als backlight. Sommige modellen hebben een multiselector waarmee je verschillende flitsmogelijkheden zoals ‘rode ogen’, ‘aan/uit’ en ‘auto’ kan selecteren. Kies in dit geval voor ‘aan’ om de flitser te activeren en ‘auto’ om terug te keren naar de normale modus.

 

bron: het nieuwsblad.be

Erik Derycke en Niklas Ottenborg

Omhoog