den archivaris

Welkom op mijn weblog

De Ramp in Oudelande, 1953

0 reacties

Op woensdag 25 maart 1953 vergaderde de gemeenteraad van Oudelande. Dat was, aldus de voorzitter, aan de late kant dat jaar, maar dat had natuurlijk alles te maken met de Ramp, die ook in Oudelande zijn sporen had nagelaten. Slechts in de kern van het dorp had men droge voeten kunnen houden. Of droge poten, want de koeien kwamen ook in de hogergelegen straten terecht. De burgemeester was er nietin de Rampnacht. Die verbleef dat weekend in Baarland. Vandaar uit regelde hij dat de gemeentesecretaris het voortouw zou nemen met het behartigen van de  zaken. In zijn redevoering betuigde hij zijn dank aan bijna allen, die zich in de dagen rond begin februari hadden bezig gehouden met het redden van mensen en vee uit de omliggende huizen, het werken aan de dijken en het zorgen voor de medemens. Hiermee leek de gang van zaken rond de overstromingsramp besproken te zijn, maar het raadslid Buteijn kwam er in de rondvraag nog even uitgebreid op terug. Hij betoogde onder meer dat zijn verhaal niets te maken had met de komende gemeenteraadsverkiezingen, maar toch wilde hij wel even kwijt, dat er een golf van beroering was ontstaan. Het vertrouwen tussen de inwoners en het gemeentebestuur was verdwenen. Op figuurlijke wijze hees hij de stormbal, zoals hij zei, met het stellen van een aantal vragen. Was tijdens de watersnood het gezag in handen van burgemeester en wethouders of regelde het Rode Kruis alles. Bepaalden B. en W. de gang van zaken, waarom waren de raadsleden dan niet in kennis gesteld van het bezoek van prinses Wilhelmina en waarom mochten de leden daarbij niet aanwezig zijn? Waarom kreeg de raad geen mededelingen over het bezoek van de Commissaris der Koningin? En waarom had het college geen gebruik gemaakt van de door de raadsleden aangeboden hulp? Hij, Buteijn, had zich met enige regelmaar aangeboden als roeier, maar dat was niet nodig, zo kreeg hij te horen. Toen het evacuatiebevel bekend werd gemaakt, had hij daaraan gehoor gegeven. Twee dagen later was hij teruggekomen en had zich gemeld in het gemeentehuis, waar niemand tijd voor hem had. Dat had hem zeer gegriefd, terwijl, volgens hem, toch duidelijk in de gemeentewet stond, dat er altijd een gemeenteraadslid in het gemeentehuis behoorde te zijn bij calamiteiten of bij afwezigheid van het college. De burgemeester antwoordde onmiddellijk op deze vraag. Zijn hoofd liep om op dat moment. Excuses zijnerzijds waren zeker op zijn plaats. Van wie was het evacatiebevel uitgegaan, was de volgende vraag. Dat was niet van de burgemeester afkomstig geweest, maar van een aantal marine-officieren. Daarover had een heftig dispuut plaatsgevonden. De marineofficier had een briefje bij zich gehad van de een of andere dame van het Rode Kruis. Inmiddels waren de late uurtjes aangebroken. De burgemeester stelde voor een nieuwe vergadering te beleggen en daarvoor de commissaris der koningin uit te nodigen. Aldus geschiedde. Op 2 april 1953 ging met opnieuw in debat met De Casembroot erbij. Die nam onmiddellijk de regie in handen en deelde op bewogen wijze mee, dat Oudelande tot dusverre zeer goed bekend stond bij de provincie. Het eerste kwade woord moest eigenlijk nog gehoord worden en nu moest hij kort na zijn bezoek tijdens de rampdagen alweer in het dorp zijn. Wat was er aan de hand? Buteijn herhaalde alle vragen die hij in de eerste bijeenkomst aan de burgemeester had gesteld en werd vervolgens op bekwame wijze door de commissaris het bos ingestuurd. En Buteijn was nog tevreden ook!

0 reacties

- Er zijn nog geen reacties geplaatst.



Plaats een reactie

U bent nog niet ingelogd; hierdoor kunt u nog geen reactie plaatsen.
Ga eerst na de inlogpagina. Als u geen ZeelandNet abonnemenent heeft kunt u een gast-account gebruiken.