Vis
Dit artikel is van mijn weblog Brakwater uit 2008. Het zou kunnen dat U het zich herinnerd. Ik vind het wel aardig dit nog eens neer te zetten omdat ik zojuist ook over de haring lees en de leuke beelden zie die Romano plaatste.
Vis
Mijn vader lustte graag nieuwe haring. Als ze er half mei weer was, dan stond hij vaak aan het viskarretje en liet er wel weer een paar over zijn tong glijden. Als hij dan na zijn werk thuisgekomen de verleiding weer eens niet had kunnen weerstaan, viel dat bij mijn moeder niet altijd in het pulletje. Dan mopperde ze, “ je hebt zeker weer aan de kar gestaan, je stinkt een uur in de wind, je doet maar hoor, maar je krijgt niets meer in je portemonnee, kijk maar eens in het laatje!” Waarmee ze de kleine lade in de keukentafel bedoelde waar het huishoudboekje- en portemonnee lag. Dan was het huishoudgeld bijna op, en was tijd om de lege flessen die ze in het gootsteenkastje had verzameld, terug te brengen naar de winkelier, om het statiegeld te innen. Dat was haar manier om toch nog een stukje vlees op tafel zetten aan het eind van de maand. Vader kocht aan de kar ook lekkerbekjes. Dat was omdat mijn moeder niet hield van visbakken. Het gasstel werd er te vies van en het stonk te veel in haar poppenhuisje, zei ze altijd. Met het poppenhuisje bedoelde ze onze nogal kleine woning in de Camera Obscurastraat in Spoorwijk. Een Haagse arbeiderswijk. Toch was er wel eens vis, waarschijnlijk stoofde ze dat dan. Een ijskast had men in die tijd nog lang niet. Als er dus iets koel gehouden moest worden, gebruikte moeder altijd het balkon. Boven op de kolenkist, was een plek die altijd mooi in de schaduw lag. Het balkon was zo groot als de breedte van de keuken en een klein slaapkamertje. Het balkon grensde aan het balkon van de buren. Dat was fijn voor een buurpraatje tijdens het ophangen van de was. Alleen soms was het ook niet zo prettig. Op een keer had moeder, goed afgedekt voor de vliegen met een bord, die vis op de kist gelegd. De vis had ze die middag op de Gouverneurlaan gekocht. Toen ik uit school kwam was ze helemaal van streek. “Die rot kat heeft de vis opgegeten, toen heb ik hem van het balkon gegooid, nu heb ik ruzie met de buren.” Ze had poes, in haar boosheid, van een meter of drie naar beneden geduwd van de balkonrand. Het beestje was met een luide mauw weer keurig op z´n pootjes terechtgekomen. Maar ja, ogen zijn vaak overal, en zo had ze de poppen aan het dansen gekregen. De ruzie is nog aardig opgelopen voor een tijdje... Voor vader was er werk aan de winkel, het balkon werd voortaan afgescheiden met kippengaas dat aan de uithouder van de waslijn werd bevestigd. Poes bleef voortaan netjes op z´n eigen balkon, zat soms wel uit nieuwsgierigheid te gluren voor het gaas, maar zodra hij moeder zag was hij weg!
We aten geen vis die avond!








