Vrijdagmorgen in Saeftinghe. We bezoeken de dijken, de kreken en de schorren van het Verdronken Land, de begraafplaatsen op Nieuw-Namen en in de Prosperpolder en de Meester Van den Heydengroeve.
Net als in de Prosperpolder liggen op de begraafplaats schuin tegenover het huis van Bleijenberg de karakters begraven die door het boek paraderen. De ouders en voorouders van Bleijenberg, en Tan, de vrouw van Jan Boom, de doctorandus die een aantal jaren schaapsherder in de Saeftinghe was.
Op een armlengte van het graf van Tan, 'te jong gestorven aan de kanker', ligt een ander graf. Ruw gemetselde stenen, bekroond door een ijzeren kruis van een rommelmarkt. Het is het graf van zijn grootmoeder, waar Bleijenberg ooit zelf bovenop komt te liggen. "Dat heb ik met de pastoor geregeld. Ik wil begraven worden zoals dat al duizenden jaren in Saeftinghe gaat, in een kist met riet." De kist is klaar, door hem zelf getimmerd van eiken planken. "Van een oeroude steiger die ooit ergens bij de Liefkenshoek in De Schelde stond."
De botten van De Sterke rusten niet op Nieuw-Namen. Hij is begraven op Kieldrecht. "Dat graf is al lang geruimd. Misschien wel voor dat van Theo Middelkamp." In Kieldrecht staat nog steeds het café van de wielerlegende, in 1914 op Nieuw-Namen geboren, in 2005 op Kieldrecht begraven.
We gaan naar de groeve van Nieuw- Namen. Bleijenberg is er de beheerder van, maar de sleutel van de ijzeren poort wil niet rond. De zeeman in hem doet zich gelden. Met een paar vloeken en klappen, als op een onwillig anker dat niet naar beneden wil. Het slot geeft het op, de deur naast het kerkpad gaat open, de toegang naar het ontstaan van Nederland.
Vijftig meter verder, via een vochtig pad door bomen en struiken. Een sperwer heeft er een duif geslagen. De veren en het schedeltje liggen keurig uitgespreid. "Dat is de natuur. Vreten en gevreten worden."
Aan de rand van het bos, net aan de Nederlandse kant van de grens, komt drie miljoen jaar geschiedenis aan de oppervlakte. Het zijn de aardlagen uit het Plioceen. Onder Amsterdam liggen ze ruim honderd meter diep, bij Terneuzen 25 meter, maar op Nieuw-Namen zijn ze gestegen naar Nieuw Amsterdams Peil.
Richard Bleijenberg weet er alles van. Hij kan er een jaar over vertellen en dan nog is hij niet uitgepraat. Hij heeft er dagen, nachten, jaren, over nagedacht. Als een amateur-Darwin heeft hij gedachten en hypotheses tot conclusies aan elkaar proberen te breien. Zo uniek is de groeve dat professoren en geologen uit de hele wereld die bezocht hebben.
Ze frustreren hem wel eens, zegt hij. "Kijk, ik zeg dat het zo en zo zou kunnen zijn. Hoe iets eruit ziet, is soms voor een andere uitleg vatbaar." Schouderophalend: "Ach, ik heb meegemaakt dat in een jaar vijf professoren langskwamen om naar de groeve te kijken. Dan hoor je vijf verschillende verhalen, allemaal met grote zekerheid neergezet, zonder een spoor van twijfel. Dan luister ik maar, als eenvoudig manneke, en ik denk er het mijne van."
Paul de Schipper knielt neer, terwijl Bleij- enberg doceert. "Even de andere kant uitkijken, Richard," knipoogt hij, terwijl hij een uitstekend schelpje uit het losse leem krabt. "Dat schelpje is drie tot drieënhalf miljoen jaar oud", aldus Bleijenberg, "we kijken hier niet op een paar honderdduizend jaar."
Hij wijst krimpscheuren en verschillend gekleurde lagen aan, wormgangen en schelpen. Drie miljoen jaar oud, maar ook verwrongen groene flessen. "Die komen van de vuilnisbelt die door de eeuwen heen hier ontstaan is. Dat lag hier altijd te smeulen en de temperatur liep zo hoog op dat het glas smolt."
Honderd meter verder verlaten we het Kerkpad en steken de Koningsdijk over. We zijn weer in België, waar een andere markante hoofdpersoon in zijn voortuin van de zon ligt te genieten. Het is Florent de Maayer, zeg maar Ran, de zesde zoon van De Sterke. Botersmokkelaar, boef, baggeraar.
In de zomer woont hij met zijn Mexicaanse vrouw Sheila op Nieuw-Namen. Elk jaar in november verkassen ze voor zes maanden naar een van hun appartementen in Manzanillo, tussen Puerto Vallarta en Acapulco.
Het gaat zoals De Schipper en Bleijenberg voorspeld hebben. Ran springt op, sleurt ons naar binnen en trekt een fles vuurwater van een procent of zeventig uit het buffet. Er worden vier glazen op tafel gekwakt. Proost!
Verhalen vliegen over de tafel heen en weer. Over vissers en stropers, smokkelaars en zeehondenjagers. Over erwtentrekkers en kasseienstoempers, karameldieven en schaapsherders. Over zwangerschappen na vrijen in een greppel of in een roestig vooronder. Over bedelen en stelen. Over Saeftinghe. Het Verdronken Land waar ze geboren en getogen zijn en waar ze allebei begraven zullen worden.
Ieder verhaal komt weer terug bij Staf de Sterke, de vader van de een, de schoonvader van de ander. De legendarische visser, baggeraar en oermens die zijn kinderen leerde om brood te bedelen, te stelen of te smokkelen. Om te overleven.
Richard Bleijenberg, Ran de Maayer en tientallen andere figuren, de een nog karakeristieker dan de ander, vertelden de verhalen.